de ene ambtenaar naar de andere instelling totdat gij geen Beheersinstituut meer van Rechtsherstel kunt onderscheiden, zei de ander en hij ging.
Het was een mooi verhaal.
De bezoeker was een man van een kleine veertig jaar. Hij was in uniform: eerste luitenant en Johan keek een beetje verbaasd. Hij had geen militair verwacht. De man zag zijn verbazing en er schoof even iets van een lachje over zijn gezicht.
— Ja, zei hij, ik ben nog luitenant, maar dat is nog maar een kwestie van een paar dagen.
— Ik...... eh...... begrijp niet precies......
De man lachte weer kort.
— Nee, ik ook niet, maar dat komt wel meer voor tegenwoordig, niet? Ik zal proberen het u uit te leggen. In de mobilisatie en onze vier dagen was ik eerste luitenant. Toen de oorlog voorbij was, bleef ik in de illegaliteit vechten maar daarvan vertel ik u straks. In ’45 kwamen de geallieerden in het Zuiden en ik zwom over de Lek. Ik kwam bij de Engelsen terecht en vocht mee. De hele veldtocht. Ze bevorderden mij tot kapitein en toen de strijd afgelopen was, werd ik naar Duitsland gedirigeerd. Ik bleef nog ruim een jaar in het leger en, nu dus ongeveer een jaar geleden, kwam ik in de burgermaatschappij terug. In mijn oude werk: ik ben tekenaar. Een goede betrekking. Mijn gezin en ik verhuisden en alles was reusachtig in orde. Dat duurde zo ongeveer vijf maanden en toen kreeg ik opnieuw een oproep: melden om opgeleid te worden voor Indië! Ik ben van de artillerie geweest en ik kwam er weer bij terug. Ze zonden mij naar het opleidingskamp in Oldebroek. Ik meldde mij en de eerste vraag van de dienstdoende hoofdofficier was: — Hoe kom je aan die derde ster? Hij bedoelde die van kapitein. Ik vertelde mijn verhaal en legde de papieren over, maar hij schudde zijn hoofd. Niks mee te maken zei hij. Ik heb in