De krant was „gezakt”. De laatste vorm was naar de „styp” en daarin waren de laatste berichten in de hoek gedrukt, ’t Was weer afgelopen voor een dag.
Johan zat op zijn kamer nog even te praten met een der redacteuren binnenland, een jongere, die het loket bediende en bezoekers te woord stond.
— Een rotdag, zei die. Steeds maar door gezanik en geen enkele keer een oplossing!
— Je schijnt idealen te hebben, meende Johan en hij bedoelde het goedig spottend, maar de ander viel zwaar geladen fel uit.
— Ja, die heb ik gehad en die heb ik nog! En de lap-zwanzen, die zich erbij neerleggen, kunnen van mij de kelère innemen!
—• Meneer is Amsterdammer, constateerde Johan.
— Ja, maar meneer is geen heer, wou je zeggen. Verdomme, het gaat tot in je uitgedroogde keel zitten, zoals ze de lui op het ogenblik tracteren! In de oorlog zouden we het dierbare kaartsysteem in de soep gereden en de fakkel erop gelegd hebben voor het lekkere fikkie, maar nou kijken we er alleen maar naar en zeggen hoogstens: Ja, ja, het is me het zoodje wel!
En hij bauwde kwaad nog es een keer: Wel, wel!
—'Nou heb ik vanmiddag eerst een man op bezoek gehad, die in 1943 uit Den Haag gezet is, omdat zijn huis er van de moffen aan moest! Hij ging, omdat hij slecht op een bom kon gaan zitten!
—■ Dat dee Muenchhausen vroeger wel, meende Johan, maar je hebt geen Muenchhausens meer.
— Moet je net menen. Je hebt hele legers, die de hele dag niks anders doen dan zichzelf bij de haren uit de modder trekken, omdat ze er iedere keer weer door de ambtenarij ingedouwd worden. Goed. Deze man