De man stond op en stelde zich voor: Van Weel, zei hij-
— Mensink, mompelde Huib.
— Gaat u zitten, inviteerde de ander en de twee namen bij hem plaats.
— Merkwaardig, dacht Huib. Geen type voor dit logement.
De man was slecht, bijna haveloos gekleed, maar had iets ondefiniëerbaars, iets dat duidelijk niet in het milieu paste.
— Mag ik u een kop koffie aanbieden, vroeg Matje, maar de man dankte en zei dat hij reeds koffie gedronken had.
Hij had een smal gezicht, waarop wat stoppels groeiden. Zijn haar was dun en rossig, zijn voorhoofd hoog. Huib keek naar zijn handen, die lang waren en dun. Hij streek er verstrooid mee over zijn haren en keek toen de twee weer even aan. Er was iets verlegens in zijn blik.
— ’t Is niet druk vanavond, zei hij. ’t Is hier meestal vrij rustig. Je kan hier werken en studeren en Ome Ko is een goede man. Hij laat mij rustig zitten en dat is heel wat, is ’t niet zo?
—■ Teveel rust is dodelijk voor de geest, meende Matje. Een mens moet onder de mensen blijven, anders groeit hij van ze weg en daar wordt hij zelf de dupe van.
—■ Dat lijkt me niet zo gevaarlijk als men de dupe al is, meende de ander en toen hij de verwonderde blik van Huib zag, ging hij verder: Ik heb het geprobeerd en het heeft dunkt mij geen zin om iets, waarvan men weet, dat het toch niet gaat, telkens weer opnieuw te beginnen.
Hij keek Huib aan en ging toen verder: — Er zijn mensen, die zeggen: Ik ben niets! Ze huichelen, want ze achten zichzelf zeer belangrijk! En als ik u zeg, dat ik mezelf belangrijk vind, zult u me ijdel noemen. Het een zowel als het ander is nonsens. Geen mens