— Dat is verschillend. De ene keer, dat hij tengevolge van de oorlog geëvacueerd werd en dat zijn huis verwoest is en dat hij hier zijn brood niet kan verdienen, omdat hij van zijn vak klompenmaker is en omdat ze hier in de stad zijn klompen niet nodig hebben. Dat ze dachten, toen hij hier heen geëvacueerd werd, dat het maar drie maanden zou duren, maar dat hij nu al ruim twee jaar op zijn bovenhuisje in Oost zit, maar — en nou komt het — dat hij nu naar zijn dorp in Zeeland of zo terugkan, maar dat hij het geld niet heeft om de reis voor zich en zijn vrouw en zijn drie
kinderen te betalen en of meneer nou...... Snap je
wel? Soms schrijft hij ook dat hij op een logement ziek geworden is en dat hij eruit moet als hij niet dadelijk
vier gulden betaalt en of de edele burger nou......Hij
werkt samen met een maat. Die brengt de brieven aan het adresje en die wacht op antwoord. De rest is samsam, als meneer het volgen kan.
— Een platstoter, knikte Huib, die het een mooi woord vond.
— Ja. Hij „stoot” namelijk in het figuurlijke net zolang tot „het adresje” — zo heet het slachtoffer — plat ligt en af schuift. Niet interessant. Die ander daar in de hoek, die snuiter die zit te lezen, dat is wat! Daar moet je es mee praten. Verder zit er niet veel bijzonders vanavond. Een beetje zeep- en garen- en bandven-
ters en straatschuimers. Maar die...... Kom maar es
mee!
Hij stond op en Huib volgde hem naar de man in de hoek. Die keek op van zijn boek, klapte het dicht, stak het in de zijzak van zijn jas en knikte.
— Is u weer teruggekomen?
— Ja, on revient toujours, n’est ce pas?
— Nou een amour van mij is het niet, meende de man en hij keek Huib even aan.
— Dit is een vrind van me, waar ik op het ogenblik mee samenwerk, lichtte Matje in.