Ook daar zaten enkele mensen op. Ze hingen meei*, want het merendeel daarvan sliep.
— De nachtvogels moeten nog komen, vertelde Matje, die Huib meevoerde naar de achterzijde van het lokaal, waar een wat grotere tafel stond. Er zat een man aan, die schreef.
— Ha, die Jaap, groette Matje en de man keek even op, grijnsde en schreef weer verder.
— Meneer hier is schrijver van zijn vak, lichtte Mat-theus in en Huib, die het niet begreep, knikte en zei beleefd: O, juist!
— Happen ze? vroeg Matje en Jaap antwoordde, terwijl hij doorschreef: — ’t Gaat, maar veel is het niet. De gijn gaat er een beetje af, as je mij vraagt!
— Ja, ’t zijn moeilijke tijden, beaamde de ziener en hij bestelde bij Ome Ko twee koppen koffie.
— ’k Zie je niet veel tegenwoordig, zei die. Je ben zeker in betere doen?
— ’k Ben niet veel in de stad geweest de laatste tijd, weerde Matje af. Als ik in Mokum ben, kom ik bij jou, dat weet je.
— Is dat een vrind van je? vroeg de ander een beetje wantrouwend.
— Ja en een hele goeie. Geen zorg, ome Ko!
— Nee, dan is ’t goed, knikte de baas. Je weet......
— Allicht, bevestigde Malt heus. terwijl hij de twee koppen bruinsel naar een leeg tafeltje loodste en Huib daarheen wenkte.
— Wat schrijft die man? vroeg de acteur en Matje lachte even.
— Brieven, antwoordde hij. ’t Is een platstoter! Weet je wat dat is?
— Niet precies.
— Nou hij schrijft aan allerlei lui, waarvan hij wel es gehoord heeft dat er wat te grijpen valt en dat ze makkelijk dokken. Hij zit er wel es naast natuurlijk en tegenwoordig nogal vaak, maar hij houdt vol.
— Wat zegt hij dan in die brieven?