vertelde een ander. De griffier kreeg ook vijftien piek! ’t Was toch wel een lollige tijd! Maar in Mokum winnen ze dat soort dingen niet!
Huib dacht aan de strijd in de bioscopen en hij grinnikte. Je mocht er niet roken en overal hadden ze nette bordjes opgehangen: „Niet roken!” De Amsterdammers hadden er goede nota van genomen en vervolgens breedvoerig discussiërend over de voor- en nadelen van roken, een sigaret opgestoken. De directies hadden het hopeloos wanhopige van de strijd ingezien en hun tactiek gewijzigd. Nu verscheen er zo hier en daar op het doek een andere tekst. Meer een verzoek: „Als u rookt, wilt u dan uw as in de daarvoor bestemde bakjes deponeren? Brandgaten kunnen zo moeilijk hersteld worden, aangezien de textielvoorziening nog veel te wensen overlaat!”
Op het Victorieplein stapte Huib af. Hij ging eten op de hoek van de oude Amstellaan, die nu Stalinlaan heette.
— Een diné-tje, meneer? vroeg de kellner.
—■ Wat heb je? informeerde Huib.
— Aardappeltjes, spercieboontjes, biefstuk, zei de kellner. De tijden beteren zich weer.
— En wat na? vroeg de acteur, die erg voor „na” was.
— Pudding, maar die zou ’k niet nemen. Nogal stijf en met de suiker is ’t hommeles! ’t Is meer een soort stijfsel! Hebt u bonnen?
— Ja, thuis. Ik kan je ze morgen wel even laten kijken, ’t Is een mooi gezicht.
—• Ik heb er zoeven al een stuk of wat gezien, meneer. Een gulden extra voor de biefstuk en over de pannekoek na worden we ’t wel eens.
Om zeven uur ging hij naar de Prinsengracht. Na afloop zou hij met Matje mee naar ’t logement. Om de „gasten van het lagere leven” te bestuderen. „Naar het levende model!”