Op de hoek stonden twee jongens, die niets te doen hadden, wat te keuvelen over de Amsterdamse dingen van de dag, maar in het ogenblik, waarin de magere heer viel, hadden ze hun gesprek even welwillend onderbroken. Toen de lange echter zijn loop weer netjes voortzette, knikte de ene Amsterdammer goedkeurend tegen de ander en nuchter zei hij: As ie dat nog twee keer doet, is ie só op de Munt!
Huib hoorde het en lachte.
— Mokum, dacht hij genietend. Dat is Mokum!
Hij zag lijn 25 komen en holde terug naar de halte.
Er hingen trossen aan de eerste wagen en de bijwagen puilde in een mensenknobbel uit, maar Huib wurmde er zich hangend tussen en reed mee. Vlak voor hem hing het mooie, waarschuwende affiche van de Stadsdrukkerij : ,,Hang niet aan de tram. Het kan uw DOOD zijn!” De dood was rood!
De tram rammelde even en zwaaide en schoof piepend, schurend en schokkend over de rails. De hangende tros passagiers werd geklutst en geschud. Een deel lachte, een ander deel gaf soms een kwasi angstige schreeuw af.
— Hou je goed vast, meneer, waarschuwde een jonge arbeider, die naast Huib bengelde. Het stoat aon de andere sijde van de tram: Foor het gebruik schudde!
De agenten, die zo hier en daar bij de haltes surveilleerden, keken naar de trossen en bleven waar ze waren. De tijd van de troscontrole was weer voorbij. Er had een korte tijd een boete opgestaan, maar de agenten waren wat Duits opgetreden, omdat ze het nog niet helemaal laten konden. Tenslotte was het „mass-regelh,” er door de Duitse heren nogal vast ingestampt, maar de Amsterdammers hadden het niet genomen en de politie had de strijd over alle linies verloren.
— Als je toen ging hangen, hing je voor vijftien gulden als je hangend gepikt werd, zei er een. Ik heb met de griffier van het kantongerecht vóór gestaan,