De middagzitting was voorbij en Huib kuierde op het Damrak, dat koesterend in de zon lag. Hij keek en genoot. Fijn, de stad in de middag. Zoveel mensen, zoveel materiaal! Hubse vrouwtjes, jagende meneren! Huib zong Speenhof zaliger na, die zoiets had gezegd: ......kan je zien, dat beursmeneren......lang niet altijd heren zijn......
Hij keek naar de beurs en constateerde opnieuw, dat hij er eigenlijk het vaststaand mooie niet kon af zien.
—■ ’k Zal het nooit hardop zeggen, want dan heb ik geen verstand van kunst en dat kan ik me niet permitteren. Het is in zijn tijd zeker een revolutionnaire daad geweest, zeggen ze, maar ik vind het gebouw toch een beetje dood zoals het daar staat, als Berlage het me niet kwalijk neemt. Het maakt de hele kant daar maar somber. Misschien zit het in de plek, die niet zo gelukkig gekozen is, maar daar hebben ze meer mee gezeten......
Hij liep en voelde zich zeer lekker. Voor hem kuierde een zeer lange en zeer dunne heer in plus fours en een bril. De dunne droeg een reisgids in zijn hand en hij las en lette dus niet op. Hij was precies op de hoek van het Damrak en de Dam en vergat of zag niet, dat hij het trottoir verliet. Hij stapte even raar over de rand, zoals iemand in de diepe diepte duikelt, struikelde, strompelde en viel in zijn lange lengte midden op het asfalt.
Hij stond weer op en een meevoeleiide dame informeerde of hij zich bezeerd had. Sterk meevoelende dames zijn vrijwel altijd aanwezig! De heer schudde nee, maar de schudding kon even goed beduiden: Kan niet verstaan. Hij klopte zijn dunne knieën af, raapte zijn bezittingen weer op en kuierde verder-