informeei’de hij om in de gevaarloze ruimte te blijven.
-Hij heeft er twee artikelen over geschreven en de hele wetenschappelijke wereld van Amerika is erdoor in rep en roer geraakt, vertelde de vrouw weer. Heeft u er nooit van gehoord? Ze kennen hem allemaal daar! Hij is daar geregeld het maanmannetje, wat ik u zeg! Geef mij de platte grond maar!
— Waarvan, moeder? vroeg Minna schuldeloos.
—■ Nou ja, lachte de vrouw, ’t is geregeld een manie
en je wordt er ziek van.
Manie, zei ze en de verbetering kwam prompt.
— Beschaafde mensen zeggen manie, merkte haar man op. De klemtoon op ie!
— Dat zijn dan de lui, die Engels en Perzisch spreken en zo, lachte ze. Ik zeg maar: je hoeft geen talen te spreken als je beschaafd wil wezen. Daar zit de beschaving niet in. Laat mij nou maar rustig gaan. Ik kom er best! Overigens vind ik dit een rotkamer, als je mij vraagt! Je had beter thuis kunnen blijven, maar dat is te onvrij, hè, loedertje?
Minna lachte en keek Johan aan.
— Je weet toch, moeder: hoe verder ik van je af zit, hoe meer ik van je hou!
— Aan mijn Zondagse hoedje, ja. ’t Is met jouw liefde net zo als met de vulkanen op de maan van je vader.
— Ook een wisselende invloed op het licht? vroeg Minna.
— Meer op het lichte, antwoordde haar moeder en toen lachten ze alle twee.
— Als je wat ouder wordt, meneer, merkte de vader op en hij wendde zich daarbij weer tot Johan, wordt tegelijk de neiging sterker om je werk af te krijgen. Ik bedoel niet het werk, dat je doet voor je brood, maar je werkelijke werk.
— Haast je maar niks, raadde ma. De maan kan nog best even wachten.
Haar man had de opmerking niet eens gehoord.