Toen Johan die avond, na de zitting, op de Nieuwe-zijds Voorburgwal liep, had hij een onrustig gevoel. Onrustig en onzeker. Er zijn van die dagen die .»mis” zijn. Er is niets bepaalds maar er is alles. Het zijn kleinigheden en te definiëren valt het niet, maar er is weerstand en spot. Alsof iemand of iets met ons rondzeult en ons belet net precies dat te doen wat we zouden willen en dat te schijnen wat we gaarne zouden lijken. Zelfs de conducteur op de tram is anders, omdat alles anders is.
Hij liep langzaam door, bedacht zich nog even, want hij zou niet komen, liep een paar passen terug, keerde zich weer om en belde toch.
„Knorrie”, de hospes, deed open en toen hij hem zag had hij een grijns van het soort waar, volgens goed ingelichte Amsterdammers, de tram overheen moet.
—■ Ja, Minna is boven, zei hij en er lichtte iets in zijn kleine oogjes.
Johan liep de smalle trap op naar de „boot”. Hij meende stemmen te horen en weer had hij de neiging terug te keren maar hij voelde, dat de ellendeling „Knorrie” beneden in de gang zou staan en weer dat lachje demonstreren. Dus liep hij door.
Er waren stemmen. Hij klopte en Minna zei: — Ja?
Toen ze hem zag, keek ze verwonderd. Toch blij ook, dacht hij. Er was nog iemand, een jonge man. Amper twintig naar het leek. Donker, slank, niet groot.
— Leuk, zei Minna zacht toen ze zijn jas nam en in de kast hing. Dit hier is Max, een vrindje van me.
Het vrindje Max knikte even en Johan deed, iets mompelend, hetzelfde. Hij ging zitten en had een onwennig gevoel.
— Thee? vroeg Minna en ze ging redderen.