— Ik vind het prima, antwoordde Johan een tikje geirriteerd.
— Fijn, zei de regisseur droog. Die kennis heeft na heel veel knokken en getraineer zijn huis teruggekregen. De N.S.B.-familie, die erin zat, is opgepakt, opgesloten en natuurlijk weer vrijgelaten. Nu kwamen ze een paar weken geleden bij die kennis van me kijken of in dat huis geen plaats was om de N.S.B.-familie samen met de joodse te herbergen. Het ging niet. Jammer, want ’t zou lief barmhartig geweest zijn. De ruimte was niet voldoende, begrijpt u wel? Voor vader, moeder en dochter N.S.B. was er geen plaats, maar wat mijn vriend ervan dacht om de dochter bij zich in huis te nemen? Die was van de Jeugdstorm geweest en een paar andere kleinigheden en die moest „opnieuw opgevoed” worden. Ze hadden gedacht, dat hij die schone taak misschien op zich zou willen nemen.
— Kijk, waarde heer, zei de Groninger knauwend, van die kennis van me zijn de vader en moeder, een broer met zijn vrouw en twee kinderen vergast en is een zuster gekrepeerd na in een Duits soldatenbordeel verbruikt te zijn en nu kwamen ze bij hem de barmhartigheid een beetje beoefenen. Hij zei: — Dat kan. Breng die meid maar hier! Die ambtenaar voelde iets. Er zijn nog gelegenheden waarbij een ambtenaar iets voelt, begrijpt u wel? — Em dan? vroeg die. — Dan gebeurt er een moord natuurlijk, zei die kennis van me. Het meisje, dat „heropgevoed” moet worden, zoals ze dat tegenwoordig noemen, is nog altijd een verstard gelovige in de leer van het ras en het bloed. Ze is nog niet gearriveerd. Verdomd jammer!
— Toch speelt u die scène van dat verraad niet goed, zei Matje plotseling.
De regisseur keek hem kwaad aan. Elij was een tik rood in zijn gezicht.
— Wat mankeert er aan? Is u acteur?
— Nee, boef!