In de regie-kamer van de hoorspelstudio stond de lucht te broeien. De kleine regisseur stopte even zijn zoveelste pijp, pafte erin, draaide zich om naar zijn gasten en zei: — Ja, de rotzooi groeit! Je kan alleen op deze manier nog iets kwijt en dan nog maar met de grootste moeite, want ze liggen met elkaar op de loer of je vooral geen stoute dingen zegt!
Johan en Matje waren met Huib meegekomen. De regisseur had gezegd: — Als ze achter me gaan zitten, zich rustig houden, niet kletsen en niet voor het stu-dioraam gaan tureluren, heb ik er geen bezwaar tegen.
’t Was een thriller. Een detective zat natuurlijk een bende na, maar er zat iets om en aan. De bende bestond namelijk uit fascisten en de schrijver luchtte in het scenario nijdig zijn gallige gevoelens, ’t Was een radio-feuilleton en ze hadden het zevende of achtste deel onder handen. Iemand van de pers had geschreven, dat het geen pas gaf: Hier werd — zo zei de alweter — het „leed van een deel der mensheid misbruikt om spanning te lenen aan een detective-ver-haaltje!”
Johan had het gelezen en hij roerde het tere punt even aan.
— Het lijkt mij, dat je niet vaak genoeg kan zeggen, dat Carthago nog altijd verwoest moet worden, antwoordde de Groninger, maar misschien zie ik het
verkeerd en is het al verwoest......door de consequent
toegepaste barmhartigheid in deze van naastenliefde druipende contreien.
De regisseur keek hem even aan.
—■ Ik heb een kennis, meneer. Een jood, als u het goedvindt.