gonnen. Toen kon je een lekker stuk brood verdienen. Ik kwam er zó in.
— Hoe? informeerde Matje belangstellend met een stiekeme gluur naar de suitedeuren.
— Nou, kijk. Ik zal u een kleine schets geven zogezegd. Naast mij, pal om de hoek woonde een kruidenier en die had wel, maar die had geen lef, voelt u wel? Die had zo van alles en ’t was eerlijk gezegd een secreet en daar kwam ik mee in gesprek. Hij zei: Ik weet wat voor je te verdienen as je je bek kan houwen en een beetje lef hebt. Toen heb ik om te beginnen een beetje zeep voor hem verkocht en eerlijk, meneer, maar hoe gaat dat, dat weet u zelf. Je denkt: jij de vette brokken en ik de dalles en toen heb ik mijn percenten genomen en zo kreeg ik een paar centen en toen ben ik voor mezelf begonnen en nou weet u net zo goed as ik, dat zogezegd door de stomheid van de regering de tabak je dat is. Zo ben ik van de zeep in de tabak gegaan. Ze hebben me wel es gepakt maar dan betaal je een paar honderd gulden en je gaat weer verder. Dat bennen zogezegd je bedrijfsonkosten, niet? Maar tja, nou zit ik toch. Zeg u me nou es wat ik mot doen. Ja verkopen of nee.
— Hoeveel is het? Ik bedoel: die vraag is van: hoeveel hebt kij ?
Even aarzelde de man. Toen antwoordde hij: Vijfhonderd pakjes sigaretten en ruim tweehonderd rooktabak. Mikstuur, meneer. Zuiver Amerikaans goed.
— Vasthouden zei Matje.. Kij komt terug over drie daag.
De ogen van de man glinsterden.
— U weet het zeker, meneer? ’t Is een aardige cent natuurlijk!
— Als ik spreek, ik weet zeker. Over drie daag. Dan betaal.
— Als ’t lukt, krijgt u een paar pakjes, meneer.
— Kij betaalt over drie: daag. Kij nu kaat.
— Ja, meneer en welbedankt.