doet. Je weet wel waar de klepel hangt, maar niet hoe de klok eruit ziet, als u me vat.
— Ik vat, bevestigde Mattheus.
— Tabak is het, deelde de man mee en hij wiste zich met de rug van zijn hand over het natte voorhoofd. Ik doe in sigaretten en tabak en ik heb een week geleden een mooie partij gekocht. Amerikaanse sigaretten en wat mixture.
De man sprak van mikstuur. Matje wachtte. De handelsman keek hem aan.
— Je mot in zo’n geval weten waar je aan toe bent.
— En kij weet niet.
— Ik zal u een kleine schets geven, meneer, ging de zwarte koopman verder. Ik kan verkopen en ik kan bewaren, maar ik weet het niet. ’t Is nou even duurder dan toen ik inkocht, maar ’t kan goedkoper worden en ’t kan oplopen, ’t Scheelt mij gauw een paar rooie ruggen, als u me vat!
— Ik vat, herhaalde Matje. Kij wilt weet hoe staat met die rantsoen van de weken, die koom.
— Juist, meneer, knikte de man blij, omdat hij zo goed begrepen werd. ’t Is een weet natuurlijk.
—■ Ik weet, deelde Matje rotsvast mee.
— Allicht, zei de man. U ziet het zo!
— Niet zo maar zó, antwoordde de ziener. Kij dacht: ik betaal daar een kulden en ik lekker verdien die rooie ruggen!
— ’k Heb er best wat meer voor over, as het klopt! zei de man royaal. Je zit er zo raar tussenin, moet u weten, ’k Zal u een kleine schets geven: mijn vrouw is bang en mijn zwager, die mijn compagnon is, heeft lef. De een zegt: vasthouden, dat is mijn zwager — en de ander — dat is mijn vrouw natuurlijk — zegt: wegdoen of je vergokt wat je hebt. Wil u geloven, meneer, ik krijg het er soms benauwd van?
—■ Kij was voor die oorlog niet in die handel.
— Nee, meneer. Toen was ik werkloos. Ik liep in de steun, begrijp u wel? Ik ben er in de oorlog mee be