De vrouw herhaalde: — U hebt het goed gezien meneer. Ik ben doodsbang!
Matje knikte en wachtte. Er was in zijn houding niets van zelfverheffing of trots. Hij liet zien, dat hij wist, dat zij haar verhaal kwijt moest en hij wachtte, terwijl hij haar bleef aankijken.
— Toch oppassen, waarschuwde Huib weer. Zij wil en hij is niet zonder interesse, ’t Is ook een knap wijfje.
Johan reageerde niet. Hij keek en luisterde.
—• Ik heb een onderduiker gehad, begon de vrouw. De laatste twee jaar van de oorlog. Mijn man was in Duitsland. Die was gepakt door de Duitsers en ze hadden hem in een concentratiekamp opgesloten. Hij was communist, weet u? Ons huwelijk was niet zo heel goed, want mijn man was nogal jaloers en daardoor hadden we veel ruzie. Ik deed nooit wat, echt niet, meneer, maar mijn man zocht overal wat achter. Nou en toen hij weg was, wras ik veel alleen natuurlijk en op een goede avond kwam een vroegere kennis van me bij me en vroeg of hij bij mij kon onderduiken, want hij moest naar Duitsland vanwege de Einsatz en zo. Ik voelde er eerst niet zo heel veel voor, begrijpt u wel, maar hij hield aan en zei, dat hij nergens anders heen kon en toen heb ik het maar gedaan, ’t Was een heel aardige jongen en......
— Ik bekrijp, zei Matje, toen de vrouw even zweeg. Ze keek op en om haar mond kwam even „het” lachje.
—• Ja, meneer, ’t kon niet anders, dat begrijpt u natuurlijk ook zo. Je bent maar alleen als vrouw en wat heeft zo’n man, zegt u nou zelf! Maar ’t was echt gemeend en we zijn van mekaar gaan houden en toen de be vrij ding kwam, waren we natuurlijk wel blij, dat het zover was maar we waren toch ook een beetje bang. Dat wil zeggen: hij niet. Jan zei: Laat hem maar komen, dan zal ik het hem wel vertellen, maar ik ken Wim beter en ik had de eerste dagen geen rustige minuut, meneer. Toen hoorden we weer niks en ik dacht: Misschien komt Wim toch niet weerom. D’r zijn d’r