De vrouw was even bij de deur blijven staan. Matje knikte en wees de stoel aan, die aan het lange eind van de tafel stond: de stoel voor de clientèle. Ze ging zitten en keek hem aan. Ze had „de” blik: wijd open ogen in een wat neergebogen hoofd. De blik, die gewend is te spelen en op het dringende kijken der mannen met een even sterk kijken lokkend en weerspannig tegelijk te antwoorden.
Johan zag dat kijken en hij fluisterde tegen Huib, die met een grijns de kamer was binnengekomen:
— Handen vol werk krijgt ie weer.
— Je mag wel opletten, waarschuwde de acteur, ’t Is net een brok kersestang voor de ziener.
Toen klonk ernstig en diep de stem van Mattheus Onno: Kij sijt bang, ik sie!
Even trok het om de mond van de vrouw. Toen liet ze haar hoofd nog wat dieper zinken, hief het weer op en knikte.
— Ja, meneer. Ik ben bang......
Weer stond Johan verbaasd. Huib keek hem aan en fluisterde: — Ongelooflijk is het eigenlijk! Wat zou die kerel in een behoorlijke maatschappij niet hebben kunnen bereiken!
Johan knikte. Het was ongelofelijk, altijd weer. Matjes diagnose faalde nooit! Hij keek zijn mensen aan, mannen en vrouwen, taxeerde ze en wist. Wist met onfeilbare zekerheid. Uiterlijk vertoon van zekerheid of maatschappelijke superioriteit werkte bij hem niet. Hij keek en was op de hoogte. En nauw hadden die anderen gevoeld of begrepen, dat „het” immers toch bloot lag voor zijn scherp en diep doordringende blikken, of ze lieten de uiterlijkheid vallen en kwamen met hem tot de eigenlijke zaak. Tot de kern.