schoot lagen. Toen — plotseling — sloeg ze de blik op en keek hem aan. In haar ogen was iets onderzoe-kends, zonder dwingende vraag, maar in haar stem, die eerst beheerst scheen, was een lichte trilling in de ondertoon.
Ze keek hem recht aan, maar bleef zwijgen. Toen zei ze het. Vlak, koel bijna.
— Ik ben opgestaan, omdat ik je iets wilde vragen. Eerst heb ik gedacht: het heeft geen zin, maar ik wist opeens, dat het niet juist is. Dergelijke dingen kunnen beter wel gezegd worden, want ze zijn er toch, ook als je er niet over praat. Zie je, dat is het. Ik wou je vragen of het beter is, dat ik weg ga.
—'Je bent gek!
Weer bleef ze hem zwijgend aankijken. Ernstig, rustig zelfs. Toen schudde ze het hoofd.
—■ Nee. Ik ben gek geweest, maar je hebt het niet
gemerkt. Van angst, van jaloezie, van...... domheid!
Maar dat is over. Helemaal over. Je gelooft me niet, dat weet ik, maar het is toch de waarheid. Ik ben nu heel rustig en ik heb alles overwogen. Ik heb er lang over gedaan, maar ik wed; het nu en je moet me antwoorden. Eerlijk zeggen wat je denkt. Want ik wou graag, zie je, dat we, als we van elkaar gaan, toch zoveel als mensen dat kunnen, eerlijk tegenover elkaar blijven...... of weer worden.
—■ Wat bedoel je met dat: of weer worden?
—-Je bent niet eerlijk tegen me geweest de laatste weken en daardoor is het allemaal zo gekomen. Als je naar me toe was gekomen en je had gezegd: Ik hou van een ander, ik kan er niets aan doen maar het is zo gekomen en nu is het beter, dat wij van elkaar gaan, dan zou ik het begrepen hebben. Het kan. Het is zoveel voorgekomen en het komt nog altijd voor. Ik weet wel: ik ben niet zoveel. Ik heb helemaal niets bijzonders en eigenlijk heb ik wat dat betreft, nooit bij jou gepast. Dat heb ik ook altijd geweten en ik heb
me er zo vaak over verwonderd, dat het...... zolang