— Eenheid, naastenliefde en vrede, dacht Johan, terwijl hij naar de twee keek. Here God, wat een rust!
Hij stak een sigaret op en blies nerveus de rook ver voor zich uit. Nigger bleef hem in het oog houden, de oogleden half geloken. Justus sliep in alle zaligheid.
— En zij zaten nog lang en gelukkig, dacht Johan en hij voegde eraan toe: En de rotzooi groeide. Jawel!
Hij zuchtte en concludeerde, dat hij het niet meer wist.
—Vastgelopen, dacht hij. Vastgelopen aan alle zijden en het licht is zoek. Daar, bij Minna, voel ik me beroerd en hier voel ik me ellendig en de rest is navenant. Moeder, waarvoor leven wij ?
Bijna automatisch knipte hij de radio aan. Een juffer croonde. Met een band, die zwoel deed. „In each life some rain must fall, but to much is falling in mine!”
Hij sprong gebeten op en draaide de knop. De stilte was goed.
—■ Die krengen van schlagers zijn nog altijd toepasselijk ook! dacht hij. Hij ging weer zitten en zonk kort weg in een dof niet-denken, in een alleen maar voor zich kijken en golven op het ledig.
Plotseling sprong hij op en vloekte: — Verrek, het enig kind! Eeuwig de rotzooi! Het oude lied. Een nieuw rhythme? Swing it! Ook niet. Toch hetzelfde. Door alle jaren, bewust of ongeweten, maar steeds aanwezig! Het eenzame jongetje, dat weken voor dat neefjes of nichtjes met feestdagen of in de vacantie kwamen logeren, zich al spitste op het feest van het gezelschap dat hij zou hebben. Ook in de avond. Tot het naar bed gaan. Ook in de morgen met het vooruitzicht van de hele dag. Het jongetje, dat stiekem huilde als ze weer weg waren en hij weer alleen was gebleven. En dat het niet weten wou en dus zo flink en vooral: zo gewoon dee.
’t Zat er in. ’t Bleef erin. ’t Zou blijven door heel het