Bijna half drie was het toen Johan thuis kwam. Mil-ly sliep. Of ze had gedaan alsof. Hij moest toegeven, dat hij het niet zeker meer wist nu. Vroeger was er altijd in alles dat gevoel geweest van dicht bij elkaar zijn, van bijna alles van elkaar weten ook zonder erover te praten, maar dat was voorbij. Milty was lief en goed als altijd, maar ze praatte niet en hij wist niet wat ze dacht. Misschien veel mee]", misschien veel minder dan hij vermoedde. Anders had ze altijd geroepen, als hij in de nacht thuis kwam. Even, kort: Ben je daar? En dan was hij naar haar toegekomen en had haar een zoen gegeven, waarop ze weer, ook zonder een woord, was ingeslapen. Met een glimlach.
Nu niet. Het huis was donker geweest en in de slaapkamer was het licht niet aangeknipt......
Op zijn tenen liep hij door de gang, hing zijn jas en hoed aan de kapstok en ging de kamer binnen. Kwispelend kwam Nigger hem tegemoet. Die had hem al gehoord toen hij de voordeur zacht binnenkwm en die had staan wachten achter de kamerdeur-
— Hij is braaf, hij is zoet! Hij is wel blij, dat de baas er is, hè?
—■ Niet slecht, gromde hij. Je moet je nog beklagen over de kale thuiskomst ook! Zet jezelf een beetje te sudderen op een laag pitje van zelfbeklag, viespeuk!
Hij knipte de schemerlamp bij de haard aan en ging in de grote stoel zitten. Nigger keek hem aan en besprong de tweede fauteuil, waarin hij zich met een zucht van voldoening over de geslaagde operatie neervlijde in de lekkere bocht. Justus, de kater, rekte zich met een hoge rug, sprong toen ook op de stoel, sloeg even plagerig met een slappe poot naar Nigger en kronkelde zich toen in de buikbocht van de hond.