— Is dit de wachtkamer voor de auditie, meneer? vroeg de jonge man en Huib zei, dat hij het niet wist, maar dat het wel zo zou zijn, omdat er in het gebouw geen andere wachtkamer was.
De twee gingen zitten en er kwamen nog anderen bij. Eerst een violist en toen een meisje met niets en zes mannen met allemaal heel grote kisten en kasten op de rug en onder de armen. Ze vormden een band, vertelden ze en ze „maakten” van alles. Zo te zien sloegen ze overal op en bliezen ze ook overal in.
Huib begon het interessant te vinden, want hij studeerde graag. Zoals hij da t noemde „op het levende materiaal”.
De juffrouw met niets werd het eerst geroepen en weggeleid, maar dat was niet zo erg, want ze was nog maar amper verdwenen of er kwamen drie juffrouwen tegelijk binnen, die zeiden, dat ze „het trio” waren. Met een naam natuurlijk maar die verstond Huib niet, omdat hij in de materie van de zingende grieten niet zo thuis was.
Hij zat nog een ogenblik en toen kwam er een technicus, die hij kende en die hem grijnzend vroeg of hij ook kwam „auditeren”.
De jonge man kwam bij hem zitten en Huib vertelde hem, dat hij tot twaalf uur moest wachten.
—■ Misschien mag je wel in de controle-kamer wat luisteren, dacht de technicus. Soms is het wel lollig en je leert er allicht iets van. Ik zal het vragen aan de commissie met permissie.
Hij ging en het mocht. Huib liep met hem mee naar hoven.
De „juffrouw met niets” bleek een zangeresje. Ze zong „La Paloma” en „Aye aye aye” en een van de heren, die de jury uitmaakten, keek door het dubbele raam in de studio en zei, dat „het grietje verdomd aardig was”.
— Ik wou, dat je begreep waarom en waarvoor je