— De eerste komiek vindt me aardig, antwoordde ze en keek hem aan. Laat hem. ’t Is een heer. Nee, echt!
Ze lachte en nipte aart haar koffie. Johan voelde zich onveilig.
— Wij noemen hem de erfprins, zei Minna en ze keek met grote dwepende ogen voor zich. Hij kan zoveel, zie je? voegde ze eraan toe en ze zei het alsof ze een zoet kindergrap je vertelde.
Johan voelde zich buitengesloten. Het werd hem opeens weer duidelijk: het was de kring van haar, die hij niet kende en waarvan hij liefst ook vreemd wilde blijven. Het was weerzin, die in hem opkroop en ze scheen het te merken, want ze legde speels haar hand op de zijne. Johan trok zijn hand terug, want hij zag, dat Matje keek en hij verbeeldde zich, dat de boef even grijnsde.
— We gaan weg, zei Johan en Minna knikte.
— Ja, we gaan naar huis! ’t Is jouw huis toch ook, hè?
Hij knikte en voelde zich ellendig, maar buiten, waar Minna stevig zijn arm nam en vrolijk babbelde over niets en alles, was ’t gauw weer over.
Toen ze in haar kajuit op de Prinsengracht aankwamen, liep de hospes met de sluike haren in de gang. Hij had een lachje en Johan had het graag van zijn gezicht getimmerd, maar hij zei beleefd goedenavond op de groet van de man, die Minna meedeelde, dat de kamer die middag gedaan was..
— Fijn, zei ze. Ik hou van netjes, dat weet u en toen lachten ze alle drie.
Boven liet Minna eerst haar mantel op de vloer vallen en vervolgens een serie andere kledingsstukken. Op pantoffels vloog ze vrijwel geheel naakt een tijd op en neer door de kamer en Johan had met geen mogelijkheid kunnen zeggen waarvoor en waarom dit allemaal was, maar eindelijk zat ze in een wat verwaaide