stond en schoof die met bonzende geluiden heen en weer.
Matje liet de vrouw, die hij juist bezig was systematisch en vakkundig te beknuffelen, los. Ze wankelde even en keek hem toen aan.
— Kij komt morgen terug, gelastte hij.
—• Ja, zei ze.
—■ Ik werk hier tot half elf. Kij komt om kwart over tien morgenavond.
Zij knikte met een lach. Hij opende de deur en ze verdween. Matje lachte tegen de kijkgaten en greep in de verwarring, die hem tóch beheerste, zijn flambard van de stoel en zette die op.
— Zet je hoed af, commandeerde Johan, terwijl
hij de deuren openschoof. En als je me zoiets nog een keer levert......
Matje haalde zijn schouders op.
— ’t Is een snol op aanwas, maar ze weet het nog * niet, antwoordde hij.
—■ Als jij niet weet, dat zij het weet, deug je niet voor je vak, meende Huib.
— Morgenavond weet ik meer, grijnsde Matje. Ik zal je wel op de hoogte houden. Wat hebben we verder nog? Ik ben een beetje moe en zie niet zo goed.
— Wacht een ogenblik, kwam Johan en Matje keek hem even aan.
— Wat heb je? vroeg hij een beetje geschrokken en dadelijk zei hij er in de verdediging bij : — Zó erg is het toch niet, kom nou!
— Ik zeg je nog es: Ik wil dit niet! viel Johan kwaad uit. Daar gaat het juist om en dat schijn jij nog steeds niet te begrijpen. Ik weet, dat het een vieze bende is, dat een groot deel van de kerels en vrouwen, die zitten te waarzeggen, allerlei vuiligheid met de „clientèle” uithalen, maar hier gebeurt dit niet!
— Toen ik in Berlijn als fakir zat, heb ik wel andere
dingen...... begon Matje maar hij kreeg geen kans.