gekomen en ik heb hem toen maar bij ons in huis genomen, want je wil toch wat doen, is ’t niet zo?
-—Heel hartelijk is dat keweest van u, ik voel, zei de huichelaar en hij wachtte weer, maar Johan zag zijn oogjes twinkelen van binnenpret en nog wat anders.
Het vrouwtje slikte de lof der edelaardigheid met graagte en vluchtte erin.
—■ Nou, meneer en toen was Piet, dat is mijn eerste man, begrijpt u wel, de hele dag over de vloer en Kees, dat is mijn tweede man, is natuurlijk veel weg, dat voelt u, want die moet nu eenmaal naar kantoor. Kees had het niet op Piet en dat gaf wel es kwestie en zo en daar hou ik nou helemaal niet van, begrijpt u wel? en zo kwamen er ’s avonds wel es harde woorden en zo en nou zit ik met het geval, want Piet en ik zijn weer opnieuw van mekaar gaan houden en daar kan een mens toch niets aan doen, is ’t niet zo? Dat komt zo maar opeens over je en ’t is zover voor je ’t weet en dan merk je ’t eigenlijk pas en nou kwam ik es bij u om te weten, hoe of u dat ziet en hoe ik weer uit die last kom, want zoals het is, kan het niet blijven en met Kees alleen is ’t ook niks, begrijpt u wel?
Matje keek haar aan en bleef haar even aankijken. Johan en Huib voelden de sfeer „dikker” worden, maar ze bleven wachten. Mannen doen in gevallen als deze niet graag iets, een feit, dat verklaard moet worden uit een soort van solidariteit, waarvan ze de schijn willen ophouden in weerwil van een vaak sterker gevoelde en bijna even dikwijls nutteloos bestreden jaloezie.
— U moet, zei Matje en hij zei het langzaam en nadrukkelijk, u moet niets doen nu! Ik zie, kij bekrijp, die situatie skerp. Ik weet en voel. Kij kunt alleen redden door wachten.
— Ik begrijp niet goed, meneer, zei ze met een kleur, die toenam, maar Mattheus weerde met een wuivende handbeweging af en ze zweeg weer en keek hem aan.