’t Was mager die avond. Meer dan veertig klanten maar het bleef bij de zang van hetzelfde liedje der liefde, die geen kans meer had maar die de hoop bleef behouden- Verder was er een oude man, die wilde weten of zijn zoon nog leefde. De jongen was het laatst gezien in ’42. In hel; concentratiekamp Oraniën-burg. Daarna op transpor t gesteld. Misschien is hij bij de Russen en mag hij niet schrijven, meende de man en de hoop stond angstig in zijn ogen. Mattheus dacht en Johan beefde.
— Ik hem niet zie heel duidelijk, begon Matje, maar ik keloof hij nog leeft.
— Dank u, meneer zei de man en hij wiste zijn ogen af met zijn mouw.
Er was een joods vrou wtje, dat kwam vragen naar haar dochter. Het meisje was bij een razzia opgepakt, naar Polen versleept en niemand had meer iets van haar gehoord. Alleen was na de oorlog via het Rode Kruis het doodsbericht gekomen.
—• Nou is het zo, meneer, zei het vrouwtje, dat ik zo bang ben. Weet u: ze zeggen, dat ze de meisjes naar bordelen gebracht hebben en dat is het nou, begrijpt
u wel? Ik weet toch, dat ze dood is, maar...... ’t Was
zo’n mooi meisje, meneer...... Het laat me niet los,
begrijpt u. Ik......
Haar schouders gingen in snikken op en neer en ze frommelde met beverige handen aan haar zakdoek.
Mattheus keek haar aan-
— Als dat maar niet...... Als ze maar niet, begon
het wijfje weer, maar Matje hief zijn hand en ze zweeg.
— Ik zie haar scherp nu, begon hij. Ik zie haar ziek. Kort, heel kort. Zij is gestorven aan die kou. Hevige kou en zij was dood in twee dagen.