252.
Tussen leraar en leerling bestaat een afstand, maar de leraar laat de leerling niet los. De leraar trekt zich het lot van de leerling aan, maar identificeert zich niet volledig met hem. Zolang de leerling nog niet in staat is om onafhankelijk te leren, met andere leerlingen samen of alleen, moet hij op zijn leraar terug kunnen vallen om onderricht te worden.
De relatie tussen leraar en leerling, zoals de Torah die ziet, is ook
te begrijpen en te beschrijven als een persoonlijke gespreksrelatie
tussen leraar en leerling, als een gesprek onder vier ogen, als een
3 1
spreken van-aangezicht-tot-aangezicht. Martin Buber, de bekendste exponent van het dialogisch denken, zegt van zichzelf:
'Ich habe keine Lehre, aber ich führe 32
ein Gespräch'
en Emmanuel Levinas zegt over het gesprek('discours') onder meer: 'Le visage est une présence vivante, il est expression. (...). Le visage parle. La manifestation du visage est déjà, discours. Celui qui se manifeste porte, selon le mot de Platon,
secours à. lui-même. (. . . ). Se présenter en
33
signifiant, c'est parler'. Pas in het gesprek ontmoeten leraar en leerling elkaar en gaan ze iets voor elkaar betekenen. Ten alle tijde moet de leraar aanwezig zijn om met de leerling te kunnen spreken en om de op schrift gestelde en vastgelegde Torah tot leven te brengen en uit te leggen. In het gesprek tussen leraar en leerling komt de Torah tot leven en in het permanente leren komt de Torah tot 'leraarschap': 'L'objet de la connaissance est toujours fait, déjà fait et dépassé. L'interpellé est appelé à la parole, sa parole consiste à "porter secours" à sa parole - à être présent. Ce présent n'est pas fait d'instants mystérieusement immobilisés dans la durée, mais d'une reprise incessante des instants qui s'écoulent par une présence qui leur porte secours, qui en répond. Cette incessanee produit le présent, est la présentation, - la vie - du présent. Comme si la présence de celui qui parle inversait le