te raden die de leerling niet stelt , terwijl de sympathie van de leraar voor de leerling én de Torah hem in staat stelt de vragen van de leerling te beantwoorden.,
Dat er tussen ongelijke grootheden - God en mens, leraar en leerling een relatie van sympatisch partnerschap kan bestaan, wordt door bijvoorbeeld Aristoteles ontkend:
'Such a relationship seemed inconceivable to the mind of a thinker like Aristotle, who held that friendship involved equality. "This is evident from cases where there is a wide disparity between two persons in respect of virtue or vice or wealth or anything else; for such persons neither are nor expect to be
friends. It is most clearly seen in our relations
?3 24 with the gods" " '
De Torah leert dat zo'n relatie wel mogelijk is en dat het vooral deze relatie - het sympathisch partnerschap - is die omgang tussen God en mens en tussen leraar en leerling bepaalt.
Toch betekent dit niet, dat de relatie tussen leraar en leerling een symmetrische relatie is of dat de rol van leraar niet van die van leerling te scheiden of te onderscheiden is. Ondanks allerlei symmetrische aspecten zoals 'partnership', wederzijds vertrouwen, respect en genegenheid, is de relatie asymmetrisch en wel even asymmetrisch als de relatie tussen vader en zoon dat is. De Torah ziet de relatie tussen leraar en leerling als een asymmetrische relatie met
symmetrische momenten. Het is vooral Martin Buber geweest die in
25
zijn 'dialogische' geschriften op het belang van de symmetrische momenten heeft gewezen, hetgeen bij hem echter nooit geleid heeft tot een ontkenning van de realiteit van asymmetrische relaties tussen mensen en in het bijzonder tussen leraar en leerling en tussen
26
bijvoorbeeld psychotherapeut en patiënt. Leerlingen zijn vaak radicaler dan hun leermeester en dit geldt ook voor een aantal personen, die door Buber diepgaand bei'nvloed zijn. De psycholoog Carl R. Rogers is hier een voorbeeld van: wat Buber de 'Ich-Du'-relatie noemt, heeft Rogers dermate geradicaliseerd, dat hij in elke relatie tussen twee mensen slechts de momenten van symmetrie als fundamenteel erkent en dit geldt zowel voor de relatie tussen leraar en