own sake ... . On the other hand a perfectly
righteous person, whose heart is upright and
sincere, who takes delight in the Torah and its
commandments, but engages in offensive matters
- say, for example, that the king compelled him
to pursue an evil occupation - if he devoted Himself
to that business all the time, he will ultimately turn
121
from his righteousness and become wicked'. In een levende traditie beïnvloeden de leer en het leven, de theorie en de praktijk, elkaar wederzijds. Het is onjuist om te menen, dat een permanente leerling het geleerde pas moet gaan toepassen als hij uitgeleerd is. Daar hij nooit uitgeleerd is, zou dit uitstel afstel van elk doen betekenen en zou hij zich de mogelijkheid ontnemen om van zijn praktisch handelen te leren.
De Torah is niet alleen maar een leer, maar ook een manier van leven. De studie van de Torah is dan ook een studie van beide, van de leer en van het leven. De permanente leerling leert en past toe, interpreteert het geleerde en evalueert de toepassingen. In het leven van de leerlingen vindt de leer haar bekroning en niet in het leren zelf:
'The goal of wisdom is repentance and good deeds,
so that a man should not study Bible and Mishnah
and then despise his father and mother, his teacher
or his superior in wisdom, as it is said. "The fear
of the Lord is the beginning of wisdom; a good
understanding have all they that do thereafter"
(Ps. 111:10). It does not say "all that learn" but 1 22
"all that do" '.
De leerling moet niet alleen zijn leren analyseren, maar ook zijn
leven; niet alleen zijn manier van leren en datgene wat hij leert,
maar ook de manier waarop hij het geleerde in het dagelijkse leven 123
toepast. Wat hij zelf leert en doet moet hij bovendien vergelijken met wat anderen leren en doen en tevens moet hij bereid en in staat zijn om in te zien, dat hij fouten maakt en waar hij die maakt. Deze laatste dispositie, dit bereid en in staat zijn, noemt de Torah 'ontzag' en het begin van alle wijsheid. Het is een intellectuele en een morele kwaliteit, die ervoor kan zorgen dat de leerling niet blind is voor het feilen in zijn eigen denken en doen (zie ook par. III. 3. 2).