158.
staat en zou God nooit als leraar voorgesteld zijn. Door te onderwijzen bewandelt men één van de acht en veertig wegen die tot de
8 5
kennis van de Torah voeren en dat men kan leren door te onderwijzen drukt rabbi Hanina aldus uit:
'Veel heb ik van mijn leraren geleerd, meer nog dan van mijn leraren heb ik van mijn collega's geleerd, maar het allermeeste heb ik van mijn leerlingen geleerd'. ^ Verderop, in hoofdstuk III. 4, zal op de rol van de leraar dieper ingegaan worden en ook op de relatie tussen leerling en leraar. Leerling en leraar beiden zijn er niet in de eerste plaats om het onder-
87
wijs in stand te houden, maar om het leren te bevorderen. Indien iemand als leraar in een onderwijsleerproces optreedt en indien de woorden van rabbi Hanina (noot 86) niet op hem van toepassing zijn, dan verdient het aanbeveling dat hij een situatie zoekt, waarin hij beter kan leren. Leren is immers belangrijker dan onderwijzen en Maimonides' interpretatie van de woorden
'Wees staart voor de leeuwen en niet hoofd 88
voor de vossen'
wijst ook in deze richting. Volgens hem betekenen deze woorden namelijk:
'When a man is a student to one who is wiser than he, it is more beneficial to him, and it is more suitable than his being a teacher to one of lesser stature than he'. 89
Een gemeenschap van mensen, die permanent leert, die zowel over-dag als 's nachts leert, zal het ook moeten hebben van mensen die individueel leren. In een leergemeenschap ('learning society') zal in het algemeen niet iedereen, jong en oud, uitsluitend collectief willen en kunnen leren. Ook individueel zal er geleerd moeten worden en ook dit leren zal positief gewaardeerd moeten worden: 'Wanneer tien personen te zamen zitten en zich met de Torah bezighouden, dan rust de Shekhinah ((= Goddelijke Aanwezigheid))
v, >90 op hen'