139.
II. 3.
II. 3 Stellingen
De hoofdlijnen van het joodse wereld- en mensbeeld, zoals in II. 1 en II. 2 ontwikkeld, zijn aldus in enige stellingen kort te formuleren:
la. Tussen het individu en God staat geen middelaar, die aanbeden moet worden, maar een leerproces.
lb. Afgodendienst is het aanbidden van een middel (middelaar), dat (die)tussen het individu en God staat.
lc. Zodra een middel tot doel verheven wordt, is er (in figuurlijke zin) sprake van afgodendienst.
2. Even belangrijk of wellicht nog belangrijker dan de werkelijkheid is datgene wat men leert over de interpretaties van en de commentaren op de werkelijkheid.
3. Noodzakelijk voor het in stand houden van de wereld met haar tradities en traditiedragers is het leren van kinderen, volwassenen en grijsaards.
4. Van de wieg tot het graf is de mens ertoe in staat om te leren.
5. Al zijn mensen nog zo ongelijk, dan rechtvaardigt dit niet het verklaren van een bepaald (type) mens tot niet-mens, 'Untermensch' of 'Übermensch'.
6. Men kan leren inzien dat ieder mens een menselijke waardigheid heeft.