140.
7. Men kan leren
a. zijn naaste lief te hebben of althans niet te haten,
b. zichzelf lief te hebben of althans niet te haten,
c. zijn naaste lief te hebben zoals men zichzelf liefheeft of althans zowel zichzelf als zijn naaste niet te haten.
8a. God en mens zijn partners die elkaar nodig hebben. 8b. De mens kan zijn isolement leren te doorbreken en kan
leren de werkelijkheid in relsitionele termen te begrijpen.
9. Er zijn mensen die het bovenmenselijke (heilige) kunnen
leren verrichten en er zijn er die het onmenselijke (beestachtige) kunnen leren verrichten: het repertoire van menselijke mogelijkheden bevat als uitersten het bovenmenselijke en het onmenselijke.
10a. Alleen de mens die vrij is om te kiezen, is verantwoorde
lijk voor de keuzen die hij maakt. Is hij niet (volledig) vrij, dan is hij ook niet (volledig) verantwoordelijk. 10b. Het dragen van verantwoordelijkheid kan de mens evenzeer leren als het uitoefenen van vrijheid. Dit laatste kan hij leren door in allerlei situaties te kiezen.
11a. Een mens heeft twee drijfveren: zijn leven lang een slechte en bijna zijn leven lang (vanaf de jaren des onder scheids) een goede.
11b. Het is mogelijk de slechte drijfveer ten goede aan te wenden. Alleen een permanente leerling mag hopen dit (leer-)doel ook te bereiken.
12. Zoals elke levende traditie worstelt ook de joodse traditie
met het dilemma, dat het zoeken naar de waarheid en het najagen van de vrede niet altijd te combineren zijn en dat beide voor het voortbestaan van traditie onontbeerlijk zijn.