128.
onrecht doen in het gerecht (...). Gij zult uw broeder niet haten in uw hart. (...)• Gij zult u niet wreken op en geen v/rok koesteren tegen de zonen van uw volk, en gij zult uw naaste beminnen als uzelf; Ik ben de Eeuwige. (...) Voor de grijsheid zult gij opstaan en de oude eer bewijzen. (...). En wanneer een vreemdeling bij u vertoeft in uw land, dan zult gij hem niet verdrukken. Als een inboorling onder u zal u de vreemdeling zijn, die bij u vertoeft, en gij zult hem beminnen als uzelf, want vreemdeling zijt gij geweest in het land Egypte. (...). Ik ben de
TT , 48
Eeuwige '.
Het is voor de mens mogelijk zijn leven te heiligen (Gods partner, Gods beeld) en als het ware bovenmenselijk te leven, maar het is voor de mens eveneens mogelijk tot het andere uiterste te gaan en zich als het ware onmenselijk te gedragen. Het repertoire van menselijke mogelijkheden bevat kennelijk als uitersten het onmenselijke en het bovenmenselijke en de Torah formuleert dit met de uitdrukkingen 'stof van de aardbodem' (Gen. 2:7) en 'beeld van God' 49
(Gen. 1:27). Over deze dualiteit in elk mens en over het spanningsveld tussen deze beide extremen, waar ieder mens aan onderhevig is, handelt paragraaf II. 2. 5. In de volgende paragraaf (II. 2. 4) zal eerst nog iets over de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid worden gezegd.
Het is vooral Martin Buber geweest, die de implicaties van het 'Gods
partner zijn' op talloze manieren in zijn geschriften, lezingen enz.
heeft uitgewerkt en daarbij het dialogisch denken heeft gepropageerd,
dat zich principieel verzet tegen het benaderen van God, mens en
wereld als geïsoleerde gegevenheden en pleit voor het begrijpen van
50
de werkelijkheid in relationele termen.
II. 2.4 De menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid
De mens is in staat om te kiezen en het menselijk vermogen om iets te doen of juist niet te doen wordt door de Torah als de kern van de menselijke vrijheid gezien: