monumenten-verordeningen, ondanks provinciale stichtingen, ondanks schoonheids- en advies-commissies, gaan schennis en vernietiging onverminderd voort. Monumentenzorg en Bosch-wet kunnen slechts een gering deel van het euvel neutrali-seeren; en met bijdragen van welwillende menschen is het slechts nu en dan mogelijk kleine gedeelten van ons bezit aan schoonheid te redden.
Het gerucht van de bijl des houthakkers en van des sloopers moker houdt niet op te weerklinken door het land. De dood waart rond en slaat in het wilde om zich heen. Het verderf is alomtegenwoordig. Niets is heilig en niets is veilig. Weerloos zijn onze grootsche en onze bescheiden oude steden, onze lieve dorpen, onze antieke bouwwerken, onze bosschen, heiden en plassen, onze heuvelen en duinen, tegen de aanslagen der in velerlei gestalten verschijnende verwoesters — onbeschermd is de luister, de heerlijkheid des lands tegen de overal en altijd dreigende bezoedeling en vernietiging.
Dit boek, dat schuchter en nederig de nog altijd groote schoonheid van het kleine vaderland looft, wil tevens een geenszins als bescheiden bedoeld pleidooi voor haar behoud zijn, en vooral een wekkende stem, een oproep, gericht tot allen, die haar liefhebben en haar als een kostelijk, een onschatbaar en onmisbaar bezit willen behouden en vereeren— een oproep tot strijd, tot onverbiddelijken en onverzoenlijken strijd tegen de ontluistering en voor het behoud en de vergrooting van de verheven pracht en de heerlijke gratie des lands.
Een oproep, die weerklank zal vinden, omdat hij betreft den strijd om een ideëel bezit, dat allen op prijs stellen, den strijd, aan welken allen kunnen deelnemen, allen, ongeacht verschillen van godsdienstigen en van maatschappelijken aard, van levens- en wereldbeschouwing, van politiek en philosofisch karakter, omdat hij geldt ons aller moeder, de Natuur, en een van ’s levens hoogste goederen, de Schoonheid.
208