van de natuur en van de schoonheid van stad, dorp en landschap. Dat natuur en schoonheid het leven zelf raken, dat zonder haar het leven inhoud noch waarde zou hebben, er zullen weinigen zijn, bereid het te bestrijden; en het is zeer wel mogelijk, het is zelfs uiterst gemakkelijk, wetten en verordeningen tot bescherming van beide en tot het weren van leelijk-heid te maken, te doen eerbiedigen en ten uitvoer te leggen. Mocht dus Van Deyssels ziedende taal de niet bezonnen, doch daarom niet minder eerbiedwaardige uiting zijn geweest van een jongen kunstenaar, hevig verbolgen op de middelmatigheden, die een halve eeuw geleden als schrijvers en literaire critici van den eersten rang golden, waarin eischen werden gesteld, welker vervulling vrijwel tot de onmogelijkheden behoort, van hetgeen hier betoogd wordt ten aanzien van natuur-en schoonheidsbescherming kan men dit niet zeggen. Er bestaan reeds maatregelen van den aard als hier worden bepleit en er zijn reeds colleges, die met de uitvoering van zulke wetten en verordenigen zijn belast. Wij hebben reeds „wel-stands”-bepalingen in vele gemeentelijke bouwverordeningen; er bestaan reeds provinciale en gemeentelijke verordeningen tegen ontsierende reclame; er zijn reeds gemeentelijke monumenten-verordeningen; er bestaat een boschwet en er is een natuurschoonwet; er is ook een Rijks Monumenten-Commissie, die over geschiedkundige en bouwkundige monumenten waakt en er zijn in vele gemeenten schoonheidscommissies, die ten opzichte van de voornoemde „welstands”-bepalingen adviseeren en in sommige gevallen zelfs beslissen. Hetgeen hier, als noodig voor de bescherming van ons natuur-, stads-, dorps- en landschapsschoon, ter bescherming onzer flora en fauna, tot wering van leelijkheid en bederf, tot verdediging van het karakter des lands, wordt gevraagd, is niets meer dan het verbeteren en uitbreiden van de bestaande wetgeving en de aanwezige verordeningen, benevens het scheppen van een regeerings-orgaan, ter consolideering of vervanging van reeds bestaande organen van dezen aard, met de toepassing en het ten uitvoer leggen van zulke wetten en verordeningen belast.
Het is niets meer dan dit, maar ook niets minder.
Met middelen van geringen omvang kan de natuurlijke schoonheid des lands en die, welke menschen geschapen hebben, niet beschermd, niet gered worden.
Ondanks het optreden van natuurbeschermers en „heemschutters” en hunne organisaties, ondanks „welstands”- en
207