te onvergefelijker, omdat het kwaad, dat zij sticht, in den regel onherroepelijk, en omdat niet alleen het nu levende, doch ook alle daarna komende geslachten beroofd worden van iets, dat voor een vol en gelukkig menschelijk leven onontbeerlijk is. Het voorkomen van zoo ernstige misdragingen is niet alleen geoorloofd, doch het behoort tot de taak der gemeenschap, die immers zich zelve mag en moet beschermen en die dus gerechtigd is tot het in het leven roepen van daartoe strekkende wetten en het scheppen van organen, die ze hebben ten uitvoer te leggen en te doen eerbiedigen.
Verreweg de mfeeste burgers des lands denken te weinig en in elk geval te luchtig over deze dingen. Natuur en schoonheid, nu ja, alles goed en wel, maar het zijn toch niet meer dan bijkomstigheden, om welke men zich niet zoo druk moet maken, dingen, die met het leven zelf weinig uit te staan hebben, zoo weinig reëel zijn.
Dit roept in de herinering terug de woedende woorden, die Lodewijk van Deyssel bijna zestig jaren geleden uitstortte over de ouderwetsche literatoren zijner dagen (opstel „Nieuw Holland”):
„ .... en het is toch zoo erg niet, en ik moet maar een beetje tot bedaren komen, en eigenlijk, niet waar, er is toch geen wet, die middelmatig schrijven verbiedt, het schrijven raakt toch eigenlijk het leven zelf niet. Wat zegt gij? Wat eigenlijk? Ja, juist wel raakt het schrijven het leven zelf en is er de edelste openbaring van; er moest een wet zijn, die middelmatig schrijven verbood; ik meen het, ik meen het, het is wèl reëel”.
„Juist wel raakt het schrijven het leven zelf”, verklaarde Van Deyssel en hij wilde, dat de wet alleen fraai schrijven zou toelaten, opdat literaire leelijkheid gebannen zou worden en slechts waarlijk schoone letteren de menschen goed en gelukkig zouden maken.
Hoezeer de innerlijke bedoeling van den beeldstormer der jaren ’80 te begrijpen en te waardeeren is, naar de letter mag zij niet worden opgevat, al ware het slechts hierom, dat het ontwerpen eener wet tot beteugeling van middelmatig schrijven een bovenmenschelijke taak zou zijn en dat, indien men er in slaagde haar te volvoeren, het ten uitvoer leggen van zulk eene legislatieve zeldzaamheid op zeer eigenaardige bezwaren zou stuiten.
Anders is het echter gesteld met de wettelijke bescherming
206