cie, kon niet belet worden en heeft zijne verwoestende en bedervende uitwerking niet gemist.
Men denkt hierbij aan hetgeen John Ruskin, de groote schoonheidsapostel der negentiende eeuw, die het licht der hoop ontstak in een tijdperk van sombere duisternis in zijn „Fors Clavigera” over deze dingen heeft geschreven.
Zoo dit:
„De zon had voor u landschappen geteekend, in groen en blauw en alle kleuren, die men zich verbeelden kan, hier in Engeland. Niemand uwer heeft er toen ooit naar gekeken; niemand uwer bekommert er zich thans om, dat zij verloren zijn gegaan, nu gij de zon door rook verduisterd hebt. Er was een rotsachtige vallei tusschen Buxton en Bakewell, goddelijk eenmaal als het dal van Tempe; gij zoudt daar des morgens en des avonds de góden hebben kunnen zien — Apollo en alle zoete Muzen des Lichts, wandelend over hare grastapijten en van en naar de toppen harer rotsen. Gij waart echter onverschillig voor góden en voor gras, doch niet voor geld (dat gij echter niet wist te verkrijgen). Gij dacht, dat gij het zoudt kunnen krijgen door hetgeen „The Times” noemt „spoorwegondernemingen”. Gij ondernaamt een spoorweg door het dal, gij deedt zijn rotsen in de lucht vliegen en storttet duizenden tons leisteen in zijn prachtige rivier. De vallei is verdwenen en daarmede de góden; en nu kan iedere dwaas in Buxton binnen een half uur te Bakewell zijn en elke dwaas in Bakewell te Buxton — hetgeen gij beschouwt als een winstgevenden ruil, gij alom-tegenwoordige Dwazen!”
Het is ongeveer zeventig jaar geleden, dat Ruskin deze felle woorden schreef. Zij zijn zonder uitwerking gebleven. In Engeland, evenals elders, evenals in ons land, is de vernieling van natuur en schoonheid ten behoeve van „nuttige werken”, die gewoonlijk ook wel zonder vandalisme ten uitvoer gelegd hadden kunnen worden, voortgegaan; en zij gaat nog steeds voort.
Nu de automobiel is gekomen, wordt ook op haar altaar veel schoonheid geofferd, zoowel op het land als in de steden. Ten dienste van het „snelverkeer”, dit is in werkelijkheid voornamelijk ten dienste van menschen, die voor hun genoegen rijden, wordt ons wegennet verbeterd en uitgebreid en worden onze oude steden gehavend en van hun karakter beroofd. Overmatig breede banen worden gelegd door het open
201