utilitaire den? Zal er van hetgeen eenmaal de schoonheid, de heerlijkheid, de rijkdom, de glorie des lands was, niets meer zijn dan de afbeeldingen, die schilders, teekenaars, etsers en fotografen er van maakten? Zullen zij, die ons als bewoners van dit land zullen opvolgen, de heide niet anders kunnen zien dan op de doeken van Mauve, het duin op die van Mesdag, ons polderland op die van Maris? Zal men naar de musea moeten gaan, om te zien, hoe onze oude steden zich vertoonden, hoe eenmaal onze dorpen waren en hoe het Nederlandsche landschap er in zijn groote afwisseling en verscheidenheid heeft uitgezien? Zal men van hetgeen eenmaal werkelijkheid was niets meer vinden dan eenige fragmenten, een stukje bosch hier, een brokje heide daar, een watertje elders, plus een dozijn of wat oude huizen, over ettelijke steden in alle deelen des lands verspreid? Zal men ze mogen aanschouwen, zooals wij nu zien naar de weinige exemplaren van den Amerikaan-schen bison en den Europeeschen wisent en van andere diersoorten, die vroegere vandalistische, roekelooze en dom-begeerige geslachten hebben uitgeroeid? Zal men staren naar zulke schamele overblijfselen van den vroegeren schoonheids-rijkdom, zooals wij nu zien naar een suffe, doodsche, banale stadswijk, staande op de plaats waar eens het duin met zijn planten- en dierenwereld stond, zooals wij nu het droeve oog vestigen op het gehavende overblijfsel van hetgeen eenmaal de St. Pietersberg is geweest, zooals wij nu blikken op de nare spoorweg-eilanden in het IJ, waar eenmaal de bevlagde schepen ten anker lagen in het blinkende water, met de stad en hare torens „zich heerlijk open doende” op den achtergrond? Zal zóó het land zijn, dat de Nederlanders der toekomst te bewonen zullen krijgen? Zal zóó het beeld wezen van het eenmaal, en ook thans nog, hoe beleedigd ook, zoo bekoorlijke land?
Indien wij goede vaders en moeders willen heeten, dan is het onze plicht, er naar de mate van ons kunnen voor te zorgen, dat onze kinderen een geordende en zoo rijk mogelijke nalatenschap van ons erven, opdat zij onze nagedachtenis zullen eeren, zich onzer in dankbaarheid en liefde zullen herinneren, en opdat ons voorbeeld hen bewege op gelijke wijze voor het toekomstige welzijn hunner kinderen zorg te dragen, door het zorgvuldig beheeren en vermeerderen van hetgeen wij hun nagelaten hebben.
Indien wij echter have en goed verkwisten, ons huis verwaar-loozen en tot een bouwval doen verworden, een desolaten
176