openbaar belang. Met dezulken valt over deze dingen even weinig te spreken als met een Nubiër over het nut van centrale verwarming, of met een Eskimo over dat van een ijskast. Doch zij, die anders denken — en zij vormen toch eene overstelpende meerderheid — zullen gereedelijk toegeven, dat bescherming van natuur en schoonheid een openbaar belang is. Velen hunner zouden echter kunnen opmerken, dat alle te voren genoemde beperkingen van het particuliere eigendomsrecht, en vele andere, die genoemd zouden kunnen worden, berusten op wetten en verordeningen, die de gemeenschap in het leven heeft geroepen, omdat haar belang het vorderde, doch dat zulke niet bestaan waar het geldt natuurbescherming en monumentenzorg.
Geheel juist zou deze opmerking niet wezen. Want sommige steden hebben reeds monumenten-verordeningen ingevoerd. Doch wel juist is zij ten aanzien van de wet en daarmede is ter zelf der tijd de groote leemte, de zwakke stee aangewezen. Het ontbreken van een monumenten- en een natuurbeschermingswet laat het Nederlandsche volk onbeschermd tegen de aanslagen op hetgeen behoort tot de edelste goederen der natie, van hetgeen haar rijkdom en haar glorie is, van hetgeen haar land onderscheidt van alle andere landen, van hetgeen een uitvloeisel is van en samenhangt met haar karakter.
Stapels wetsontwerpen weet elke regeering elk jaar gereed te maken en aan de volksvertegenwoordiging toe te zenden. Tot het ontwerpen en indienen van een natuurbeschermingswet en een monumentenwet is echter tot nog toe geen enkele regeering gebleken in staat te zijn. Zoodat de sloopers, de brekers, de rooiers, de dempers, de verkavelaars, de ontgin-ners en de bouwers vrijelijk kunnen voortgaan het volk te berooven van het beste dat het bezit.
Er zijn volgens de traditioneele meening en de geijkte terminologie, eenige wel zeer bijzonder groote tuinen op de wereld. Java heet de tuin van onze geheele aarde te zijn. Zwitserland is de tuin, althans de „recreation ground” van Europa. Het graafschap Kent is „the garden of England”, het Gooi is de tuin van Amsterdam, en het eiland Walcheren de tuin van Nederland. En er zijn meer zulke gaarden.
Het is de vraag, of deze aanduidingen en waarde-bepalingen wel geheel en al met de feiten in overeenstemming zijn. Want om niet al te ver van huis te gaan: er zijn in Engeland vele gebieden, die in schoonheid voor Kent niet onderdoen, zooals
166