hij een dikke, goed belegde boterham heeft, doch zij vergissen zich. Zonder schoonheid om zich heen en zonder de natuur, tot welke zij zich keeren kan, zou de menschheid diep ongelukkig wezen, hoe welvarend zij in stoffelijk opzicht ook zou mogen zijn. Natuur en schoonheid zijn voor een vol en gelukkig leven onmisbaar; zonder deze beide zou zulk een leven onmogelijk wezen.
De strijd voor de bescherming en het behoud van dit kostbare goed is dus niet onbeteekenend, geen liefhebberij van dwaze lieden, die men schouder-ophalend voorbijgaat, doch een zeer ernstige zaak, een dringende noodzakelijkheid. Zij, die hem voeren, bewijzen der menschheid geen geringeren dienst, dan degenen, die zich met de voorziening in hare stoffelijke behoeften bezighouden, die voor recht en rede in het krijt treden, die billijke verdeeling van het algemeene arbeidsproduct willen bewerkstelligen, wien het onderwijs, of de verzorging van invalieden en ouden, of welke andere maatschappelijke bemoeiing ook, na aan het hart ligt.
Er is een tijd geweest, dat zij, die zulks inzagen en de bedreigde natuur en schoonheid trachtten te beveiligen, hunne pogingen met weinig anders dan spot beantwoord zagen. Dit was niet erg. Het vergaat hun, die iets nieuws verkondigen, dikwijls zoo. De geschiedenis vloeit over van voorbeelden van dezen aard. De reeds aangehaalde Engelsche dichter en sierkunstenaar William Morris heeft hieromtrent eens gezegd: „Elke nieuwe zaak, aan welke oorspronkelijke denkbeelden ten grondslag liggen, doorloopt vier phasen: 1. de menschen lachen er om en bespotten haar; 2. vele menschen bestrijden, doch vele anderen omhelzen haar; 3. de meerderheid is haar toegedaan en zij wordt verwezenlijkt; 4. niemand begrijpt, dat het ooit anders is geweest.”
De bescherming van natuur en schoonheid verkeert nu in de tweede phase. Weldra zal zij de derde bereikt hebben. Doch dan zal de vraag wezen: is er nog iets te beschermen?
Voor zoo ver het de natuur betreft, zal dit voor een aanzienlijk deel afhangen van het tot stand komen van gewestelijke uitbreidingsplannen in stede van gemeentelijke, naar welker komst en toepassing allen, die haar liefhebben, met groeiend verlangen uitzien. Want zij weten, dat eenmaal het vierde stadium bereikt zal worden en hopen, dat alsdan de menschheid, in het genot van overvloed van natuurschoon, niet zal begrijpen, dat het eenmaal noodig is geweest het tegen schennis en vernietiging te behoeden.
160