natuurschoon wordt berokkend; de andere daarentegen is niet bijster uitgestrekt en kan slechts de toevloeiende bewoners herbergen, door aan hen de schoonheid van het dorp en zijne omgeving ten offer te brengen. Aldus geschiedt het, dat in het eene dorp bosschen en heuvels, heiden en buitenplaatsen vernietigd worden, om gelegenheid tot den bouw van landhuizen te scheppen, terwijl in het andere geschikte terreinen, waar gebouwd kan worden zonder het stichten van onheil, ongebruikt blijven. Daarbij komt nog, dat in een dezer zes gemeenten, een der grootste en het rijkst wellicht aan natuurschoon, het gemeentebestuur zich om dit laatste in het geheel niet bekommert en ten dienste van villa- en huizenbouw rustig en gemoedelijk niet alleen alles laat vernielen, doch deze vernieling in de hand werkt en bevordert.
Indien er nu voor het Gooi een gewestelijk plan bestond, dan zou het verloop van zaken geheel anders wezen dan thans het geval is. Dan zouden alle plaatselijke uitbreidingsplannen vervallen; in het gewestelijk plan zou worden bepaald welke gedeelten, niet van één gemeente, doch van het geheele Gooi, dus van alle zes gemeenten gezamenlijk, bebouwd zouden mogen worden en welke onaangetast moesten blijven; dan zouden de particuliere (schijn)belangen van de afzonderlijke gemeenten niet worden geteld en wat het gewest nog aan natuurschoon bezit, zou gered wezen.
Het Gooi is hier als voorbeeld genomen. Toestanden gelijk aan de Gooische, doen zich echter alom in den lande voor. Het vraagstuk der gewestelijke plannen behoort dan ook zeer spoedig tot oplossing te worden gebracht, want schennis en vernietiging zijn alomtegenwoordig, rusten niet, vervolgen onafgebroken hun noodlottigen weg. Allen, die in deze dingen belang stellen, begrijpen dit ook wel en weinig talrijk zijn dan ook de onderwerpen, die zoo vaak en zoo ijverig en zoo grondig behandeld worden als dit — doch even weinig talrijk zijn de aangelegenheden, ten opzichte van welke zoo weinig werd gedaan als het onderhavige. In de tijdschriften van architecten en van degenen, die zich bezighouden met de volkshuisvesting, alsmede in tallooze couranten en periodieken, wordt de quaestie sinds jaar en dag behandeld, van alle kanten belicht, uitgeplozen en tot in het ingewand doorzocht. Gemeente- en provinciale besturen hebben er zich herhaaldelijk mede bemoeid. Commissies werden benoemd, die hadden te onderzoeken, te behandelen, te ontwerpen en toe te lichten. De Regeering nam de zaak onder hare vleugelen en maakte haar
158