de electrische geleidingen van de tram zijn bevestigd en die het stadsbeeld ernstig schaden. In dorpen, aan electrische tramlijnen gelegen, treft men het zelfde euvel aan en bovendien zijn daar in vele gevallen telefoon- en electrische stroom-geleidingen, opgehangen aan houten palen, die altijd leelijk zijn en dikwijls de mooiste dorpshoekjes bederven.
In den loop der jaren na den grooten oorlog is daarbij een nieuw euvel gekomen, dat de reeds genoemde wellicht in benadeeling der schoonheid van het stadsbeeld overtreft, namelijk dat der draadlooze telefonie, de zoogenaamde radio. De toestellen tot het ontvangen en weergeven van geluiden worden gevoed door opvangdraden, die men dwazelijk „antennes”, dit wil zeggen: voelhorens, noemt en die gewoonlijk worden opgehangen aan palen of stokken, bij, aan of op het huis, waarin het toestel is opgesteld. Er zijn ook antennes, bij welke de draad gewonden is om een cylindervormig geraamte, dat boven op een staak wordt bevestigd.
Er is heden ten dage bijna geen huis, of beter: bijna geen gezin, zonder radio-ontvangtoestel. Hetgeen dus onvermijdelijk tot gevolg heeft, dat er nagenoeg geen huis is zonder antennepalen. In de groote steden, waar huizen, die van twee tot acht gezinnen herbergen, bij duizendtallen worden gevonden, staan dus op elk dak dikwijls ettelijke radio-staken, zoo-dat zich boven de stadswijken geheele bosschen van deze dingen verheffen, hetgeen een buitengewoon onordelijk en uitermate leelijk gezicht oplevert. In het bijzonder is dit het geval met de buurten, tijdens en na den oorlog gebouwd, waar de huizen gewoonlijk geen eigenlijke daken bezitten, doch plat afgedekt zijn. De aanblik van zulke straten is wezenlijk afzichtelijk. De verzameling van schots en scheef staande staken en palen, met hun warwinkel van draden en dingen als groote vogelkooien, bederft het stadsbeeld. Het is jammerlijk om aan te zien, hoe met zorg ontworpen wijken en fraaie huizenblokken worden ontsierd door deze gedrochtelijkheid. Het is een hoon voor de liefde, met welke de nieuwe stad beraamd en uitgevoerd werd.
Het staat te vreezen, dat aan dezen toestand van wanstaltigheid voorloopig geen einde zal komen. De menschheid is verslaafd geraakt aan de mechanische reproductie van tooneel-en muzikale kunst, aan de film, de gramofoon en de radio, alle wonderen van het menschelijk vernuft, doch in welker toepassing in het dagelijksch leven weinig aanleiding tot vreugde kan worden gevonden. Maar de radio is er, zij zal blijven en
156