het is een complex van fraaie gebieden, in elkander vloeiend of dicht bijeen gelegen, waar wandelaar, ruiter en fietser heerlijkheid en schoonheid in overvloed vinden.
Waar de natuur niet zoo gul is geweest, moet de mensch voor zich zelf zorgen. Hij heeft dat ook wel pogen te doen en heeft zijn stadsparken en -plantsoenen gemaakt. Doch dit is niet voldoende. De groote stad moet haar groote park- en bosch-complexen hebben, die met elkander haar geheel omsluiten en wat er aan natuurlijke schoonheid aanwezig is, riviertjes, plassen, verhevenheden e. d., in zich opnemen.
In het verleden was elke stad een afgerond geheel. Zij lag besloten in den krans harer wallen, boven welke hare daken en torens kwamen kijken. Het silhouet was dan bijna immer ongemeen bevallig. Thans is het anders. Slechts enkele, kleine steden, Naarden, Willemstad, Gorinchem, hebben hare oude vestingwerken behouden. Nagenoeg overal zijn zij geheel of grootendeels geslecht. Wie nu een stad nadert, ziet geen besloten, scherp begrensd beeld. Wat hij aanschouwt, is een schijnbaar ongeordende massa van rommelige buurten en huizengroepen, onvoltooide straten, onsamenhangende rijen voor- en achtergevels, verlaten en vervallen, ten doode opgeschreven oude landelijke huizen en gebouwtjes, in het gedrang gerakende stukjes weiland, half-doode boomen, een onooge-lijke branding van de het land verzwelgende huizenzee. Vestingwallen keeren niet terug. Deze omkransing en afsluiting der stad behoort tot het verleden. Maar die van het heden en de toekomst is het samenstel van bosschen en parkwegen, dat in de plaats moet komen van de geïsoleerde, onsamenhangende, her en der verspreide parken en plantsoenen, opdat de stadsbewoners de natuur om zich hebben en gemakkelijk tot haar kunnen gaan, en de aanblik onzer steden, zij het in gewij-zigden vorm, worde als hij in het verleden is geweest.
De toepassing van allerlei technische vindingen, voornamelijk die ten dienste en ter vergemakkelijking van het verkeer, draagt zelden bij tot verfraaiing van het landschaps-, stadsen dorpsbeeld. Elders in dit boek werd reeds gewag gemaakt van de „Verdrahtung der Landschaft”. De vervaarlijke draag-torens van electrische netten, de stroomgeleidingen voor elec-trische trams en spoorwegen, de draden van telegraaf en telefoon, zij zijn alles behalve schoonheids-elementen te noemen. In de steden en dorpen is het niet veel beter gesteld. De groote en middelbare steden staan vol ijzeren palen, aan welke
155