zeilen zij door het luwe weer, vinden hun oude wisseling weer van op en onder berg en dal, omhoogtriomf en wereldval, van aanloop stormende genomen en hartbeklemmend nederkomen de toppen langzaam overglijden, op glanzende ruggen huiswaarts rijden den ingekeerden caroussel, het eindeloos, eindeloos kringenspel.
Eenmaal was ons geheele land vervuld van dit „eindeloos kringenspel”. Thans is het anders. Sinds stoom, electriciteit, benzine en ruwe olie hun intrede deden, werden wie weet hoevele molens afgebroken en nog steeds gaat dit vernietigingsproces voort. Zelden gaat een week voorbij, waarin de dagbladen niet de doodstijding van een of meer windmolens brengen. Waarschijnlijk zijn er thans in het geheele land geen duizend molens meer aanwezig en de tijd zal komen, dat weinig meer dan de molens, door enkele gemeenten aangekocht, of van welke de Vereeniging „De Hollandsche Molen” zich het bezit heeft verzekerd, zullen herinneren aan den glo-rieuzen tijd, toen de windmolen het land beveiligde tegen het water en eene belangrijke plaats innam in het bedrijfsleven des volks — tenzij de Overheid, onder den drang van den volkswil, krachtdadig ingrijpt en de zinnelooze destructie der nog aanwezige molens belet; want polderbesturen en meel-molenaars schijnen niet bestand te zijn tegen de mode, en zeer zeker niet tegen de overredingskracht en het gescherm met cijfers van ingenieurs, die tevens leveranciers zijn van motoren, bemalings- en maalwerktuigen. Het slechten van molens beteekent het berokkenen van verlies, zoowel van economi-schen als van aesthetischen aard. De voordeelen, aan het in-stalleeren van mechanische bemalings-inrichtingen en maalwerktuigen verbonden, zijn in den regel denkbeeldig, of zóó gering, dat zij nauwelijks tellen. Het nadeel van zulke vervanging van den windmolen, aan de schoonheid van het Neder-landsche landschap berokkend, is echter ontzaglijk en onherstelbaar. Vrij talrijk zijn nog de dorpen, van welke de korenmolen het grootste sieraad is. Niet minder talrijk zijn nog de polderstreken, die, dank zij vooral hunnen molens, belangwekkend, doch zonder hen saaie, vervelende vlakten zouden zijn.
132