groen-blauwe luiken en bemoste rieten daken, omringd door de akkers, waartusschen het eiken kreupelhout wast, akkers, die in den zomer een heerlijkheid zijn van gouden rogge en vlammende, wit-bloeiende boekweit, omringd en doorsneden van lommerrijke wegen, stille paden, door de weidsche heide, het heilige bosch, en niet ver verwijderd van de rüi-schende zee.
Dit alles geldt dus één enkel dorp, van hetwelk overigens nog veel meer zou te zeggen wezen, dan er hier van is gezegd. Nederland telt ongeveer elf honderd gemeenten, dus zeker vijftien honderd steden en dorpen, van welke toch ten minste één derde gedeelte waard is te worden beschouwd en beschreven. Daarvoor zouden vele boekdeelen noodig zijn. In één boek van bescheiden omvang, als dit, kan dus niet anders dan een even vluchtig als oppervlakkig beeld van de schoonheid onzer dorpen en steden gegeven worden, vooral daar het de bedoeling was, de overige elementen van de schoonheid des lands, de wateren, de bosschen, de duinen, de heiden, de heuvelen, niet onvermeld te laten.
Het doel, dat met het schrijven van dit boek werd beoogd, was dan ook slechts, bij den lezer belangstelling voor het land zijner geboorte gaande te maken, in hem het verlangen op te wekken, het grondig te leeren kennen, hem te bewegen het met eerbied te naderen, zich in zijne schoonheid te verdiepen. Werd dit doel bereikt, dan zou in eiken lezer stellig ontwaken het verlangen, om deel te nemen aan den strijd tegen alles, dat er op gericht is, het vaderland te berooven van zijn heerlijkheid, zijn luister, zijn schoonheid, of althans dezen veldtocht te steunen.
In deze bedoeling ligt de oorsprong van het boek; het is er van vervuld; het is zijne rechtvaardiging. Welke en hoe groot zijne tekortkomingen ook mogen zijn, het is in elk geval een harte-en een smarte-kreet, een bazuinstoot tevens, die oproept tot den strijd voor het behoud van hetgeen de natuur en de nijvere en kunstvaardige handen van vroegere geslachten hebben gewrocht, voor het behoud van de bijzondere, weergalooze en onvervangbare schoonheid van ons land, van zijne dorpen en zijne steden.
Het zij herhaald: het boek dankt zijn ontstaan aan het vurige verlangen om de nimmer eindigende en aan alle kanten grijnzende bedreiging van hetgeen het erfdeel des geheelen volks is, te verijdelen. Dit spreekt uit elke bladzijde. Telkens wanneer iets van de schoonheid dezer gewesten beschreven en
107