rug is geweest, ten tijde dat hier het vóór-historische volk woonde, dat ons de Hunebedden van Tinaarloo en van Gieten nagelaten heeft. Wel is hier veel veranderd, vooral sinds het in cultuur brengen van de heide het oorspronkelijk karakter der streek meer en meer wijzigt en doet verloren gaan, terwijl bij Zeegse, om van Haren niet te spreken, de onvermijdelijke landhuisjesbouw reeds het noodige kwaad heeft gesticht. Maar niet alles is verdwenen. Veel van hetgeen hier eens alles was, is nog onaangetast, voert de gedachten terug naar het in den nacht der eeuwen verzonken tijdperk, doet droomen van den oer-toestand, toen te midden van deze en de overige heuvelen van hetgeen nu Nederland is, slechts de weinige stammen woonden, wier namen zelfs niet tot ons gekomen zijn en van wie niets rest dan eenige ruwe grafteekens, benevens wat brokstukken van primitieve wapenen en scherven van huisraad, achtergebleven in den maagdelijken bodem, die in onze dagen aan de misschien nuttige, maar ach zoo trieste ontginning ten offer valt.
103