DE HEUVELLANDEN
Nederland is, volgens een Britschen schrijver, „as flat as a pancake” — zoo plat als een pannekoek. Moge dit voor groote en belangrijke gedeelten des lands juist zijn, voor een niet geringere uitgestrektheid is het onjuist. Bergen, in den eigenlijken zin des woords, vindt men hier niet, al noemt men ook alom zelfs geringe verhevenheden van den bodem bergen: Larenberg, Zwaluwenberg, Amersfoortsche Berg, Grebbe-berg, Lemelerberg, Hemelsche Berg, Holterberg, Wagening-sche Berg, Zijpenberg, Keienberg, enz. Doch heuvelen bezit ons land wel en zelfs hier en daar zijn er, welker hoogte wellicht velen Nederlanders onbekend is en die misschien vermag hunne verbazing gaande te maken.
De hoogste „berg” van Nederland, bij Vaals, in Zuid-Limburg, verheft zich tot niet minder dan 322 meter en de niet ver van daar gelegen Ubagsberg brengt het niet tot deze hoogte, maar niettemin tot 216. Er zijn in Zuid-Limburg nog zeer vele punten, zoo tusschen 100 en 200 meter hoog, doch geenszins daar alleen. De Torenberg, de Galgenberg, de Imbosch en de Zijpenberg, op de Veluwe, brengen het onderscheidelijk de drie eerste tot 107, de laatste tot 110 meter, terwijl de Hatten-heuvel in den Gelderschen Achterhoek 105 meter haalt. Beneden 100 meter, doch boven 50, vindt men in Utrecht, Gelderland en Overijsel vrij vele heuvels, als: Lochemsche Berg, de Lemelerberg, de Holterberg, de Woldberg, de Haar-lerberg, de Koningsbelt, de Torenberg, de Montferlandsche Berg, de Darthuizerberg, de Kuiperberg, de Stompert, de Elsterberg, de Amerongsche Berg; en in het Gooi brengt de Tafelberg het tot 36 meter. Alle deze en andere „bergen” zijn geen op zich zelf staande verhevenheden, doch behooren tot, dikwijls vrij uitgstrekte, heuvelgroepen, van welke de Hondsrug, in Drenthe, weliswaar lang niet de hoogste, doch misschien wel, om verschillende redenen, de karakteristiekste is. Van bijzonderen aard is het heuvelland van Zuid-Limburg. De streek langs de Belgische grens vertoont geheel het karakter van de schoonste gedeelten van de Ardennen-keten. De weg van Vaals, over Vijlen, Mechelen, Epen, Slenaken, Noordbeek, Mheer, St. Geertruid, naar Gronsveld, voert door het schoonste gedeelte. Hier is een echt bergland, gelijkende op dat van den Eifel en de Ardennen. De vaak zeer sterk stijgende en dalende wegen, die hier en daar „haarspelden”, „krakelingen” en „kurkentrekkers” vormen, voeren door een buitengewoon
95