en te veroordeelen — afgezien nog hiervan, dat geen enkele burger op zijn belastingbiljet ook maar het geringste blijk van dergelijke besparing zou aantreffen.
Onze plassen en meren moeten, met hunne onderlinge verbindingen en omgevingen, onaangetast blijven. Geen schennis van dit bijzondere element van de schoonheid des vaderlands mag worden gedoogd, niet de geringste en schijnbaar onbe-teekenendste. Ons waterbezit zij en blijve heilig! Het mag onder geen beding of voorwendsel worden ontwijd!
Moge ons volk daarvan zóó doordrongen zijn en het, wanneer de omstandigheden het vorderen, zoo onweerstaanbaar uiten, dat geen ondernemer en geen overheid het zal durven bestaan, de hand naar onzen waterschat uit te strekken.
85