lend strak blauw, of vervuld van het eindeloos wisselende spel van kleur en vorm en gestalte, van nu eens liefelijke, dan weer dreigende wolken.
De plantenwereld is hier zeker niet minder belangwekkend dan die van het woud. De heide schijnt geheel bedekt door den paars-bloeienden Heidestruik (Calluna vulgaris); maar zij is niet de eenige heideplant; daar is ook de Dopheide (Erica tetralix), en daar is de Kraaiheide (Empetrum nigrum) op veenachtige en de Lavendelheide (Andromeda polifolia) op moerassige heide-plekjes. Op zulke plekjes staat ook de Ronde Zonnedauw (Drosera rotundifolia), het buitengewoon merkwaardige plantje, dat vliegende insecten vangt en verteert. In de lente is er bijna niets schooners dan de gele vlammen van de bloeiende Brem (Sarothamnus vulgaris) en ook komt, vooral op de Brabantsche en Limburgsche heiden, hier de Jeneverbes (Juniperus communis), onze eenige werkelijk inlandsche conifeer, voor, bijzonderlijk op de gedeelten, die gerekend moeten worden te behooren tot de zandverstuivingen. En hiermede is de plantenschat van de heide geenszins uitgeput; want er groeit daar ook velerlei, dat niet uitsluitend in het heidegebied wast. Rijk is de heide aan levende have en misdadig is degene, die dit leven noodeloos vernietigt.
In het Gooi sloegen en op de Veluwe en in Utrecht slaan de landbouwers veel plaggen ten dienste hunner stallen. Vandaar dat in die streken de heidestruik zelden een belangrijke hoogte bereikt. Doch op afgelegen gedeelten der Brabantsche heide, daar groeit het heestertje wel tot een hoogte van meer dan een meter en een stuk heide, zóó begroeid, is in Augustus en September van een ongekende pracht. En niet alleen daarin verschillen de heiden van Brabant van die van andere gewesten. Ook hier herkent men een eigen karakter. De ligging van het land is anders. Het heeft niet, althans niet in gelijke mate, de golvingen van het Gooi en zeker niet de heuvelformaties van de Veluwe. Dan de dorpen en de vele alleenstaande hoeven en huisjes, die in alle opzichten verschillen van de Gooische en de Veluwsche en met hun van geweldige zwengels voorziene waterputten iets geheel eigens hebben. Hoe schoon de Geldersche, Utrechtsche, Hollandsche en Drentsche heiden mogen wezen, de Brabantsche doet er niet voor onder en bezit vele eigenschappen, die haar een eigene en bijzondere bekoorlijkheid verleenen.
Neen, de heide mag niet verloren gaan. Ons boschbezit is onvoldoende. Het moet vergroot worden. Werkelijke bosschen,
74