vak betrokkenen veel geld verdienden. Toen, en ook nog gedurende het langzaam, maar gestadig voortgaand ebgetijde, dat er op volgde, werden de bruiloften met grooten luister, doch vooral met veel eten (veel drinken doen de Joden niet) gevierd.
De „Bruiloftshuizen” waren De Koningskroon, Plantage Kerklaan (verdwenen) ; Plancius, zelfde laan (thans taxi-garage); Casino, Amstel tegenover de Blauwbrug; De Harmonie, Zwanenburgerstraat (verdwenen) en enkele kleinere lokalen; later nog het Feestgebouw Stranders, in een prachtig oud heerenhuis op de Nieuwe Heerengracht. Thans is het er weder mede gesteld als ten tijde dat de Wijkmeester schreef, ten eerste omdat de diamantnijverheid aan niemand meer belangrijke baten oplevert, ten tweede omdat andere opvattingen aangaande het vieren van feesten burgerrecht hebben verkregen.
Wijkmeester Meijer bepaalt zich niet tot vermelding van feitelijkheden, doch verdiept zich ook in beschouwingen van mensch-, ziel- en zede-kundigen aard. Hij ontleedt wezen, aard en karakter des Amsterdammers en stelt hem aldus voor:
„Karakter. Dit veel al, als bij de meeste Nederlanders, een Phlegmatiek, Koelbloedig en cholerike geaardheid zijnde, vormd dit een zonderling mengsel van zeedelijkheid en ligtzinnigheid, gevoeligheid en ongevoeligheid, van trotsche fierheid en diepe onderbuiging, van beschaafdheid en grofheid, van voorkomendheid en stugheid, van verlichte denkwijze en zwakke vooroordeelen, van ijdele praalzucht en deftige eenvoudigheid, van stijve ouderwetschheid en wufte modezucht, van lauwe onverschilligheid en woelzucht, van verdraagzaamheid en stijfhoofdigheid, van nijvere werkdadigheid en smaak voor beuzelend vermaak en lediggang, van huishoudelijkheid in het gezin en zwierig vertoon in het openbaar, van netheid, zindelijkheid en reinheid en van slordigheid in andere opzigten. Uit deze gemengde karakter vloeyen ook veel uit voort de Deugden, als Eenvoudigheid, Oprechtheid, Getrouwheid, Koele Bedachtzaamheid in het overleggen, Zuinigheid, Spaarzaamheid, Matigheid en Arbeidzaamheid, Mededeelzaamheid, en Liefhebbend, en de hier tegen over staande
Ondeugden, welke zich helaas maar al te veel en te sterk vertoonen; zie hier dezelve in eenige bijzonderheden.
En wel ten opzichte van hunne Redelijkheid en Lichtzinnigheid. Men vind onder alle de Rangen der aanzienelijken, Middenstand en geringere, Menschen, welke het bijna voor zonden zouden rekenen, indien zij niet des Zondags Voormiddags den Godsdienstoeffening bijgewoond hadden,
87