De Wijkmeester verhaalt niet, dat het ook gebruikelijk was, aan buren, familieleden en vrienden beschuiten met muisjes te zenden. Er waren jongens- en meisjes-muisjes, de eerste ruw, de laatste glad; zoodat men bij het ontvangen der beschuiten meteen wist of er een knaap of een deern was geboren, indien men daaromtrent althans niet reeds was ingelicht. Kraamverpleegsters kende men niet; er waren bakers, vrouwen van ervaring, doch zonder opleiding. Zij verzorgden kraamvrouw en kind. Wat het wicht betrof, dat had het, naar onze opvattingen, die wel de juiste zullen zijn, niet bepaald prettig. Het werd geweldig „ingebakerd”, want de vrees voor frissche lucht, voor „tocht”, zat er diep in. Een „bakkertje”,
d.i. een wollen slaapmutsje, werd het over de ooren getrokken. Hemd en borstrok kreeg het aan het bovenlijfje; het onderlijf werd voorzien van een linnen of katoenen luier, met een dikke wollen er overheen en deze beide luiers werden het kind stijf om het lijf gespeld met „bakerspelden” van groot formaat (veiligheidsspelden bestonden nog niet), zoodat een „pak” ontstond. De baker stelde er een eer in, dat het „pak” stijf genoeg was, „om het over een huis te kunnen gooien”. In de uren, verloopende tusschen de tijdstippen waarop het werd gezoogd, werd het kind een dot in den mond gestopt. Wilde het niet slapen, dan werd het gewiegd, totdat het, vermoedelijk door een soort van duizeligheid bevangen, indommelde. Het kwam ook voor, dat de dot in brandewijn werd gedoopt, teneinde het schaap te bedwelmen en aldus te doen slapen.
De min behoort sinds lang tot het verleden. Moeders, die haar kind niet willen zoogen, zijn hooge uitzondering geworden; haar, die het niet kunnen, staan in overvloed middelen ten dienste, om het kind naar be-hooren te voeden. De baker heeft ook vrijwel afgedaan; in haar plaats is de geschoolde verpleegster gekomen. De arts houdt toezicht over alles en de gemeente heeft overal in de stad adviesbureaux gevestigd, waar onbemiddelde moeders met raad en daad worden bijgestaan in de vaak moeilijke taak van de lichamelijke verzorging harer kinderen.
De Wijkmeester deelt ons nu verder mede, wat er met de kinderen, na de eerste levensperiode, geschiedde. Aldus:
„De kinderen van de aanzienlijken worden nu verder aan het opzigt van Kindermeiden toevertrouwd, en die der Middelstand worden in Kinderschooltjes besteed, alwaar zij de Letters leeren, maar Die der geringen moesten in huis blijven, tot dat men in de Jaren 1839 en 1840, Bewaarscholen, naar de Prinses Sophia-schoolen geheeten, oprigten, alwaar dezelve al speelende de Letters, de Getallen en kleine Liedjes geleerd worden.
6 81