„De toestanden, die wij bij ons onderzoek vonden, waren vaak hartverscheurend.
Ik herinner mij een woning op de Wittenburgergracht, waar twaalf gezinnen woonden. Een steil trapje voor alle twaalf. Eén privaat, niet door-loopend, voor alle twaalf gezinnen. Ik herinner mij een groot aantal woningen, waar een groot gezin met zes, zeven, acht kinderen, in één kamer woonde. In die kamer, die eene, werd gewoond, gekookt, gewerkt, ook wel huisarbeid verricht en geslapen. In die eene kamer was in den regel één bedstee. Daar sliepen de ouders. Soms waren er ook een of twee ledikanten, maar dat was volstrekt geen regel. Als er veel kinderen ware n, was in de bedstee van de ouders een verdieping getimmerd, waar dan een matras op lag en dekens. En waar een paar kinderen sliepen. Eén kind, het jongste, sliep in den regel aan het voeteneind van de bedstee van vader en moeder.
De overige kinderen, waar geen ledikant voor was, sliepen op den grond. In zeer groote gezinnen waren er dat nog dikwijls vier of meer. Aan den eenen kant van de kamer sliepen de jongens, aan den anderen kant de meisjes. Wat dat beteekende, wanneer er vier of zes kinderen waren, jongens en meisjes van tien tot zeventien jaar, kan men zich voorstellen. Ik vroeg aan een moeder, of dat altijd goed ging. „Niet altijd,” zei zij. „Maar als ik ’s nachts de minste beweging hoor, kom ik uit bed en ransel ze. Dat helpt wel. Ik kan het goed.” Een andere moeder vertelde hetzelfde. „Wie zich beweegt, zoodat ik het bemerk, krijgt ransel. Direct, zonder dat kom je er niet. Er is één jongen en één meid bij, die hun billen zien altijd bont en blauw. Ze hebben geen rust om te bekomen. De kinderen slapen allemaal met onderbroeken aan.”
Ik herinner mij, dat ik met een lid van de Gezondheids-Commissie van een woninginspectie op de Eilanden, waar de woningtoestanden toen het toppunt van slechtheid hadden bereikt, met de tram naar huis ging. Ik hoorde naast mij snikken; het was mijn medelid. Een schijnbaar nuchter, onbewogen man. „Het is ontzettend,” zei hij. „Het is lang niet bekend genoeg, dat zooveel menschen slechter wonen dan beesten.”
Dr. Wibaut maakte van 1907 tot 1914 deel uit van de GezondheidsCommissie. Dus zeg vijf en twintig jaren geleden was het met de huisvesting van tallooze arbeiders nog gesteld, zooals hij het in sobere woorden mededeelt.
Nog is er veel van dezen aard. Het euvel is geenszins uitgeroeid. Maar wel zijn er ontzaglijke verbeteringen gekomen. Er ligt in dit opzicht een wereld tusschen 1835 en 1935. De gemeente zelve, de woningbouw-
78